Klacht over samenlevingscontract en notariele afhandeling ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Notariaat    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1304634/1330703

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

De zaak gaat over een samenlevingscontract dat in 2004 door een notariskantoor is opgesteld voor een vrouw en haar partner. In het contract stond dat de langstlevende partner binnen twee maanden na het overlijden van de ander een hypothecaire zekerheid moest regelen voor de erfgenamen. De cliënte vond deze termijn onrealistisch kort en stelde dat zij en haar partner dit nooit zo hadden bedoeld. Nadat haar partner in 2024 was overleden, werd zij volgens haar niet op deze termijn gewezen. Ook kreeg zij later van een kandidaat-notaris onjuiste informatie over de termijn waarbinnen zij zekerheid kon stellen. Hierdoor konden de kinderen van haar overleden partner hun erfdeel direct opeisen, wat volgens de cliënte financiële en emotionele schade veroorzaakte. De commissie oordeelde echter dat het notariskantoor niet verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij woog mee dat de cliënte en haar partner in 2004 een concept van het contract hadden ontvangen met het verzoek vooral artikel 15 goed te controleren, maar destijds geen bezwaar hadden gemaakt tegen de bepaling. Ook vond de commissie dat het kantoor bij het plannen van de afspraak na het overlijden niet hoefde te weten dat er een belangrijke termijn liep. Hoewel de kandidaat-notaris later inderdaad onjuiste informatie gaf, had dit volgens de commissie geen invloed meer op de situatie omdat de termijn van twee maanden toen al was verstreken. Daarom verklaarde de commissie de klacht ongegrond en wees zij het verzoek om schadevergoeding en andere tegemoetkomingen af.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het door het kantoor in 2004 opgestelde samenlevingscontract, alsmede de afhandeling daarvan in 2024.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte en haar partner hebben zich in 2004 tot het kantoor gewend voor het opstellen van een samenlevingscontract. Zij hebben beiden kinderen uit eerdere relaties. Hun intentie was dat de langstlevende de erfgenamen van de overleden partner pas de overwaarde van het huis hoefde uit te betalen bij verhuizing of overlijden van de langstlevende, maar hiervoor wel zekerheid diende te stellen aan de erfgenamen van erflater. In het samenlevingscontract is een termijn van twee maanden bepaald voor het stellen van deze hypothecaire zekerheid voor het aan de erfgenamen van de overleden partner te betalen bedrag. Dit is een onrealistisch korte termijn die zeker niet op verzoek van de cliënte en haar partner is opgenomen.

De partner van de cliënte (hierna te noemen: de partner) is op 1 mei 2024 overleden. De cliënte heeft op 24 mei 2024 contact opgenomen met het kantoor om het contract af te handelen. Zij is toen niet gewezen op de termijn van twee maanden. De afspraak heeft pas plaatsgevonden op 10 juli 2024, derhalve na het verstrijken van deze termijn. De erfgenamen van de partner hebben vervolgens hun erfdelen direct opgeëist. Toen de cliënte daarover vragen stelde, heeft een kandidaat-notaris van het kantoor haar voorgehouden dat zij deze erfdelen pas hoefde te betalen als zij de gezamenlijke woning van haar en de partner zou verlaten, mits zij binnen een jaar een hypothecaire zekerheid ten behoeve van de erfgenamen van de partner zou regelen. Pas maanden later erkende zij dat deze informatie onjuist was en dat zij het contract verkeerd had geïnterpreteerd.

Door toedoen van het kantoor hebben de erfgenamen van de partner hun erfdelen op kunnen eisen. Daardoor heeft de cliënte, naast alle emotionele ellende, extra kosten moeten maken.

De cliënte verzoekt de commissie haar een vergoeding van € 10.000,- toe te kennen voor dit (financiële) leed. Verder verlangt zij excuses van het kantoor, alsmede een bloemetje.

Standpunt van het kantoor

Voor het standpunt van het kantoor verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De termijn van twee maanden uit het samenlevingscontract van 20 december 2004 is kennelijk door de cliënte en de partner bewust overeengekomen, aangezien het een specifieke regeling (geen standaard bepaling) betreft en het niet aannemelijk is dat die regeling destijds buiten hun uitdrukkelijke wens zo is geformuleerd.
De betreffende bepaling in het samenlevingscontract geeft duidelijk aan wat en hoe er vergoed moet worden. Omdat de cliënte en de partner allebei kinderen uit een eerdere relatie hebben, is het niet ongebruikelijk dat voor de aanspraken van de eigen kinderen door de langstlevende partner zekerheid dient te worden gesteld. De termijn van twee maanden is niet lang, maar ook weer niet zo kort dat hierin niet gehandeld had kunnen worden.

De partner is op 1 mei 2024 overleden. Op 24 mei 2024 is er voor het eerst contact geweest met het kantoor voor het maken van een afspraak voor het opstellen van een verklaring van erfrecht (die eerst op 10 juli 2024 heeft plaatsgevonden). Bij het maken van de afspraak is niet gesproken over een spoedeisend belang, zodat eerst bij deze bespreking de betreffende kandidaat-notaris werd geconfronteerd met de regeling en de termijn dus al was verstreken. De kandidaat-notaris heeft nog geprobeerd in gesprek te gaan met de kinderen van de partner om hen te bewegen de cliënte meer tijd te geven om de zekerheid te regelen, maar die waren daar niet toe bereid.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van het kantoor hanteert dat is gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende notaris.

De commissie stelt vast dat in artikel 15 van het samenlevingscontract dat op 20 december 2004 bij het kantoor is gepasseerd, voor zover van belang, het volgende is bepaald:
“Naast de verplichting tot overname en voldoening van de gehele hypothecaire schuld als bedoeld in artikel 11 lid 2, dient degene aan wie de woning (die gemeenschappelijk eigendom is van partijen) verblijft, aan de erfgenamen van de overleden partner uit te keren een bedrag gelijk aan de helft van de overwaarde van die woning.
(…)
Het aldus vastgestelde bedrag (…) is eerst en direct opeisbaar bij het metterwoon verlaten van de woning door de langstlevende.
(…)
Uitstel van de opeisbaarheid als hiervoor beschreven geldt echter alleen indien:
a . de langstlevende binnen twee maanden na overlijden op zijn/haar kosten hypothecaire zekerheid verstrekt tot een bedrag van eenhonderdtwintig procent (120%) van het te betalen bedrag”.

De commissie constateert dat de kern van de klacht van de cliënte is dat voor het stellen van de hypothecaire zekerheid slechts een termijn van twee maanden is opgenomen. De cliënte stelt dat dit niet op verzoek van haar en de partner is gebeurd. De notaris heeft dit gemotiveerd betwist.

De commissie stelt vast dat het kantoor bij brief van 13 november 2004 het concept van het samenlevingscontract aan de cliënte en de partner heeft doen toekomen. In deze brief staat uitdrukkelijk vermeld:
“Wilt u het concept aandachtig doorlezen (met name artikel 15) en mij laten weten of een en ander duidelijk is”.
Als de cliënte en de partner het niet eens waren met de in artikel 15 opgenomen termijn, had het op hun weg gelegen daarover een opmerking te maken. Dat zij dit kennelijk niet hebben gedaan, komt voor hun rekening en risico. De cliënte kan het kantoor daarvan thans geen verwijt meer maken.

De cliënte beklaagt zich er voorts over dat zij bij het maken van de afspraak na het overlijden van de partner niet op de termijn van twee maanden voor het stellen van hypothecaire zekerheid is gewezen en dat de afspraak pas heeft plaatsgevonden toen de termijn reeds was verstreken. Echter, naar het oordeel van de commissie kon van het kantoor redelijkerwijs niet worden verwacht dat bij het plannen van de afspraak al rekening werd gehouden met deze termijn, waarvan het kantoor op dat moment geen kennis had en ook niet behoefde te hebben. Het is niet ongebruikelijk dat de relevante stukken – in dit geval het samenlevingscontract uit 2004 – pas kort vóór een geplande bespreking worden bestudeerd.

De cliënte beklaagt zich er tot slot over dat de kandidaat-notaris in haar e-mail van 19 juli 2024 ten onrechte een termijn van een jaar heeft genoemd voor het vestigen van een hypotheekrecht ten behoeve van de kinderen van de partner. De commissie is van oordeel dat deze onjuiste mededeling weliswaar onzorgvuldig is geweest, maar zij acht dit onvoldoende voor de conclusie dat het kantoor niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende notaris. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat ook indien de kandidaat-notaris wel de juiste termijn had genoemd, dit de situatie niet anders had gemaakt, omdat in juli 2024 de termijn van twee maanden al was verstreken.

Gelet op het vorenstaande zal de klacht van de cliënte ongegrond worden verklaard en het door haar verzochte worden afgewezen

Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst het door de cliënte verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Notariaat, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, de heer mr. M. de Waal en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 27 mei 2026.

 

 

Opslaan als PDF