Cliënte krijgt deels gelijk in geschil over advocaatdeclaraties

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Advocatuur    Categorie: Kwaliteit dienstverlening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1322849/1336318

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

De zaak gaat over een cliënte die ontevreden was over de dienstverlening van haar advocaat in een conflict met haar buurvrouw over een recht van overpad. Volgens de cliënte had de advocaat onvoldoende rekening gehouden met haar verzoek om de kosten te beperken, waren de declaraties veel hoger uitgevallen dan verwacht en had hij fouten gemaakt in de behandeling van de zaak. Hierdoor verloor zij de procedure bij de kantonrechter. De advocaat stelde dat hij correct had gehandeld, de cliënte steeds had geïnformeerd en dat de extra uren nodig waren doordat de zaak uitmondde in een gerechtelijke procedure. De commissie oordeelde eerst dat de cliënte haar klacht mocht indienen, ondanks het verweer van de advocaat dat zij te laat zou zijn geweest. Vervolgens concludeerde de commissie dat niet is gebleken dat de advocaat tekort was geschoten in de kwaliteit van zijn dienstverlening. De klachten over de gekozen strategie, het gebruik van bewijs en de behandeling van de procedure werden daarom ongegrond verklaard. Wel vond de commissie dat de in rekening gebrachte uren voor de gerechtelijke procedure te hoog waren in verhouding tot de aard van de zaak en dat de cliënte zonder extra waarschuwing niet hoefde te verwachten dat de kosten zo sterk zouden oplopen. Daarom werd de klacht over de declaraties gegrond verklaard en moest de advocaat € 3.155,20 aan de cliënte terugbetalen. Daarnaast moet hij € 26,25 aan klachtengeld vergoeden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De klacht is daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat en de kosten die de advocaat bij de cliënte in rekening heeft gebracht.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft zich tot de advocaat gewend, omdat haar buurvrouw claimde een recht van overpad te hebben vanuit haar perceel over dat van de cliënte.
Afgesproken is dat de advocaat een kort briefje zou sturen naar de rechtsbijstandsverzekeraar van de wederpartij. Zonder overleg met de cliënte is dit echter een uitgebreide brief geworden. Naar aanleiding van de daarvoor in rekening gebrachte kosten (€ 3.522,-) heeft de advocaat de cliënte desgevraagd een totale ureninschatting gegeven van 15-20 uur. Deze is zonder waarschuwing of herbegroting opgelopen tot circa 39 uur (€ 16.000,-), terwijl de cliënte herhaaldelijk om kostenbeheersing heeft gevraagd. De cliënte is van mening dat de advocaat onredelijk en onvoldoende transparant heeft gedeclareerd.

Voorts is de cliënte niet tevreden over de kwaliteit van de dienstverlening; er is sprake van onduidelijke advisering, risicovolle processtrategie en onvoldoende benutting van relevant bewijs. De advocaat heeft geen getuigenbewijs aangeboden en feitelijk bewijs achtergehouden. Bovendien heeft hij de verklaringen van de getuigen van de wederpartij, die hebben gelogen en documenten hebben vervalst, onvoldoende weerlegd. De tekortkoming heeft nadelige en onomkeerbare gevolgen; de kantonrechter heeft geoordeeld dat door verjaring een recht van overpad voor de buurvrouw is ontstaan en de daartoe strekkende vordering van de buurvrouw toegewezen. Het frequent betreden door de buurvrouw van het perceel van de cliënte levert een schending van haar privacy op.

De cliënte verzoekt de commissie de declaraties van de advocaat te matigen tot 15 of maximaal 20 uur, althans tot een door de commissie in redelijkheid vast te stellen aantal uren. Voor zover de commissie oordeelt dat er inderdaad sprake is van tekortschieten in de dienstverlening, verzoekt de cliënte voorts in redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding vast te stellen.

Standpunt van de advocaat

Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht houdt verband met het teleurstellende vonnis van de kantonrechter van 2 juli 2025. Dit vonnis is op 7 juli 2025 per e-mail aan de cliënte toegezonden. De cliënte heeft pas op 27 november 2025, dus na ruim viereneenhalve maand, een klacht ingediend over de declaraties die daarvoor steeds zonder protest zijn behouden en zijn betaald. Dit is buiten de in het reglement van de commissie genoemde termijn van drie maanden. Gelet op de termijnoverschrijding verzoekt de advocaat de commissie de cliënte niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht.

Subsidiair voert de advocaat aan als volgt.
De advocaat heeft in de opdrachtbevestiging een inschatting van 10 à 15 uren gegeven. Dit betrof de werkzaamheden gericht op het voorkomen van een procedure. In het kader van proces-economie heeft de advocaat een brief aan de wederpartij zo ingericht/opgesteld dat in het geval van een gerechtelijke procedure, die brief kon worden gebruikt om zo veel als mogelijk te worden omgezet in een processtuk. De wederpartij heeft uiteindelijk een procedure aanhangig gemaakt. Dit betrof een kantonprocedure. De advocaat heeft de cliënte laten weten dat zij deze – ter besparing van kosten – zelf kon voeren. De cliënte heeft hiervan afgezien.

Er is geen sprake geweest van een risicovolle processtrategie en/of het niet benutten van relevant bewijs. De advocaat heeft steeds integraal verweer gevoerd, zoals de cliënte dat ook wenste. De cliënte is ook steeds akkoord gegaan met de strategie.
Er is geen sprake van een (toerekenbaar) tekortschieten, omdat de procedure niet is gewonnen. De cliënte heeft zelf afgezien van het instellen van hoger beroep, terwijl de advocaat daar wel de argumenten voor heeft gegeven.

De advocaat heeft aan de zaak, inclusief de correspondentie vooraf, 38,24 uur besteed. Dit is niet excessief. De cliënte is steeds van alle te doorlopen stappen op de hoogte gebracht. Ook zijn steeds alle stukken op voorhand aan haar toegezonden voor – zo nodig – overleg en akkoord. Er is terdege oog geweest voor de kostenbeheersing en van advisering over een kostenbesparende aanpak. Er is maandelijks gefactureerd, zodat de cliënte steeds op de hoogte is geweest van de kosten. De advocaat is van mening dat er geen grondslag is voor matiging van de declaraties.

De advocaat verzoekt de commissie primair de cliënte niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht, subsidiair om de klacht ongegrond te verklaren en het door haar verzochte af te wijzen

Reactie van de cliënte op het beroep op niet-ontvankelijkheid

Op 7 juli 2025, het moment waarop het vonnis van de kantonrechter aan de cliënte werd toegestuurd, wist de cliënte weliswaar dat zij de procedure had verloren, maar gaandeweg is bij haar het gevoel ontstaan dat de manier waarop de zaak is behandeld een rol heeft gespeeld bij de uitkomst van de procedure. De cliënte heeft (het kantoor van) de advocaat hierover vragen gesteld, waarop inhoudelijk is gereageerd. Daarbij is niet gesteld dat de cliënte te laat zou zijn.

De cliënte verzoekt de commissie het beroep op niet-ontvankelijkheid af te wijzen en de klacht inhoudelijk te behandelen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De advocaat beroept zich op niet-ontvankelijkheid. Gelet op dit verweer van de advocaat dient te commissie te onderzoeken of de cliënte kan worden ontvangen in haar klacht. De commissie dient deze vraag te beantwoorden aan de hand van de bepalingen van haar reglement.

De niet-ontvankelijkheidsgronden staan vermeld in artikel 7 van het reglement. Dit artikel luidt – voor zover van belang – als volgt:
“2. De Commissie verklaart op verzoek van de advocaat – mits gedaan bij eerste gelegenheid – de consument in zijn klacht niet-ontvankelijk:
a. indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat heeft ingediend binnen drie maanden na het moment waarop de consument kennisnam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven; (,,,)
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder a, kan de Commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de consument ter zake van de niet-naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de Commissie redelijkerwijs geen verwijt treft”.

De advocaat stelt dat de termijn van drie maanden is gaan lopen op 7 juli 2025, de datum waarop de cliënte kennis heeft genomen van het vonnis van de kantonrechter. De cliënte heeft dit gemotiveerd weersproken. De commissie stelt vast dat de cliënte na 7 juli 2025 herhaaldelijk contact heeft gezocht met (het kantoor van) de advocaat. Zij had niet alleen vragen over het vonnis, maar ook over de wijze waarop de advocaat haar zaak heeft behandeld. Er heeft hierover een gesprek plaatsgevonden en er is vervolgens gecorrespondeerd.

De commissie is van oordeel dat uit de correspondentie duidelijk blijkt dat de cliënte niet geheel tevreden was over de dienstverlening. Dat zij eerst heeft geprobeerd antwoorden te krijgen op haar vragen, alvorens op 26 november 2025 een formele interne klacht in te dienen, kan haar niet worden verweten. De commissie stelt voorts vast dat in de e-mail van 24 december 2025 van de zijde van het kantoor van de advocaat op deze klacht is gereageerd. Daarin is niet vermeld dat de cliënte te laat was met het indienen van de klacht.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de cliënte ontvankelijk is in de klacht. Zij zal het geschil daarom inhoudelijk behandelen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De cliënte beklaagt zich over de kwaliteit van de dienstverlening. Zij verwijt de advocaat onduidelijke advisering, risicovolle processtrategie en onvoldoende benutting van relevant bewijs. Ter zitting heeft zij in dit verband onder meer verklaard dat de advocaat uitsluitend een juridisch standpunt heeft ingenomen en onvoldoende feitelijk bewijs heeft aangebracht; zo heeft hij door de cliënte aangeleverde foto’s niet ingebracht, geen getuigenbewijs aangeboden en de getuigenverklaringen van de wederpartij onvoldoende weerlegd. De advocaat heeft de verwijten van de cliënte gemotiveerd weersproken. Hij heeft verklaard dat de foto’s als productie bij de conclusie van antwoord zijn gevoegd en dat hij de daarbij vermelde tekst van de cliënte in de conclusie van antwoord heeft toegelicht. Voorts heeft hij wel degelijk getuigenbewijs aangeboden en de getuigenverklaringen van de wederpartij “geprobeerd onderuit te halen”. De cliënte heeft haar stellingen tegenover deze betwisting door de advocaat niet aangetoond, althans aannemelijk gemaakt. De commissie treft in de overgelegde stukken en in hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, ook geen gronden of aanwijzingen aan voor de verwijten van de cliënte.

De commissie merkt in dit verband nog op dat een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding dient te nemen en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid en deskundigheid kan bepalen hoe de belangen van zijn cliënt/cliënte het beste worden gediend. Dat de advocaat heeft gemeend in het verweer met name te richten op het ontbreken van feitelijk bezit van de wederpartij, getuigt naar het oordeel van de commissie niet van een onjuiste taakopvatting.

De commissie merkt voorts op dat bij de uitvoering van de opdracht sprake is van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverbintenis. De prestatie bestond niet in het behalen van een bepaald resultaat, maar bestond daaruit dat de advocaat zich daarvoor diende in te spannen. Het is de commissie niet gebleken dat de advocaat zijn inspanningsverplichting niet correct of onvoldoende is nagekomen.
De commissie kan niet vaststellen dat de advocaat een verkeerde strategie heeft gekozen noch dat de kantonrechter door toedoen van de advocaat een voor de cliënte negatieve en teleurstellende beslissing heeft genomen. De commissie kan op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting ook niet vaststellen dat de uitvoering van de opdracht en de kwaliteit van de dienstverlening, zowel in het algemeen als op detailniveau, onvoldoende zijn geweest.

Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De klacht van de cliënte over de kwaliteit van de dienstverlening zal de commissie daarom ongegrond verklaren.

De cliënte beklaagt zich voorts over de hoogte van de door de advocaat in rekening gebrachte kosten.
De commissie stelt vast dat de advocaat in de opdrachtbevestiging heeft vermeld:
“Ik schat in dat met de eerste schermutselingen een tijdspanne zal zijn gemoeid van 10 à 15 uren”. Deze ‘eerste schermutselingen’ betroffen de werkzaamheden van de advocaat ter voorkoming van een procedure. Het is niet gelukt om met de wederpartij in onderling overleg tot een oplossing te komen. De wederpartij heeft de cliënte in een procedure betrokken, waarin de advocaat de cliënte op haar uitdrukkelijk verzoek bijstand heeft verleend.

De commissie stelt voorts vast dat de door de cliënte overgelegde urenspecificaties van 4 maart 2025, 2 april 2025 en 2 juni 2025 betrekking hebben op de werkzaamheden van de advocaat in de procedure. In totaal heeft de advocaat daarvoor ruim 25 uur gedeclareerd. De commissie komt dit bovenmatig voor voor een procedure met twee schriftelijke rondes. Zonder nadere waarschuwing hoefde de cliënte naar het oordeel geen rekening te houden met de omvang van deze kosten.

De commissie ziet, gelet op het hiervoor overwogene, dan ook aanleiding om de in rekening gebrachte tijdsbesteding voor de gevoerde procedure naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te matigen met 8 uur. Blijkens de overgelegde urenspecificaties heeft de advocaat een uurtarief gehanteerd van € 307,50. Uit de opdrachtbevestiging volgt dat dit exclusief kantoorkosten (6%) en BTW is, derhalve € 394,40 inclusief kantoorkosten en BTW. Dit betekent dat de declaraties van de advocaat worden gematigd met een bedrag van (8 x € 394,40 =) € 3.155,20. Nu de cliënte de declaraties van de advocaat reeds heeft voldaan, dient de advocaat dit bedrag aan de cliënte te restitueren.

Uit het voorgaande volgt dat de klacht van de cliënte over de hoogte van de door de advocaat in rekening gebrachte kosten gegrond is.

Nu de klacht van de cliënt ten dele gegrond wordt verklaard, ziet de commissie daarin aanleiding de advocaat te veroordelen tot vergoeding van de helft van het door de cliënte betaalde klachtengeld van
€ 52,50, derhalve een bedrag van € 26,25.

Bovendien dient de advocaat – overeenkomstig het reglement van de commissie – een bijdrage in de behandelingskosten van de commissie te voldoen. Deze worden gematigd tot 50%.

De commissie ziet geen aanleiding voor het toekennen van enige schadevergoeding, omdat zij – zoals hiervoor is overwogen – niet kan vaststellen dat sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming van de advocaat.
Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de cliënte ontvankelijk in de klacht;

– verklaart de klacht van de cliënte gedeeltelijk gegrond;

– bepaalt dat de advocaat aan de cliënte een bedrag van € 3.155,20 dient te restitueren;

– bepaalt dat de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie een deel van het klachtengeld aan de cliënte dient te vergoeden, namelijk een bedrag van € 26,25;

– bepaalt dat betaling van voormelde bedragen moet plaatsvinden binnen veertien dagen na de verzending van dit bindend advies;

– bepaalt dat de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie behandelingskosten aan de commissie verschuldigd. Deze behandelingskosten worden gematigd met 50%;

– wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 8 juli 2026.

Opslaan als PDF