Commissie: Advocatuur
Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
1247544/1336773
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
De zaak gaat over een cliënt die ontevreden is over de juridische hulp die hij van een advocatenkantoor heeft gekregen in zijn letselschadezaak na een bedrijfsongeval. Volgens de cliënt heeft het kantoor zijn klachten niet serieus genomen, onvoldoende onderzoek gedaan en hem onder druk gezet om een schikking met de verzekeraar te accepteren. Daardoor zou hij schade hebben geleden, waarvoor hij een vergoeding van € 25.000,- vraagt. Het kantoor is het hier niet mee eens en stelt dat de klacht te laat is ingediend. De Geschillencommissie oordeelt dat de cliënt niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Tussen de afronding van de letselschadezaak in 2018, de eerdere klachtprocedure bij de Raad van Discipline in 2021 en het indienen van de klacht bij de commissie in 2025 is volgens de commissie te veel tijd verstreken. Hierdoor is het voor het kantoor moeilijk geworden om zich goed te verdedigen. De door de cliënt genoemde gezondheidsproblemen zijn onvoldoende onderbouwd om deze vertraging te rechtvaardigen. Daarom behandelt de commissie de inhoud van de klacht niet verder. Daarbij merkt zij wel op dat uit de beschikbare stukken niet blijkt dat de advocaat onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens de commissie heeft de advocaat de cliënt voldoende geïnformeerd over de voor- en nadelen van een schikking en heeft de cliënt uiteindelijk zelf gekozen om met het voorstel akkoord te gaan. Daarom verklaart de commissie de klacht niet-ontvankelijk.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Door middel van een vragenformulier heeft de cliënt een geschil aanhangig gemaakt tegen het kantoor. Hij is niet tevreden over de kwaliteit van de dienstverlening van het kantoor. In het verweer heeft het kantoor zich onder meer op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. De commissie dient daarom de vraag te beantwoorden of zij de klacht in behandeling kan nemen.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt heeft in 2014 een bedrijfsongeval gehad waardoor hij fysieke en psychische klachten heeft ontwikkeld.
Het kantoor heeft de cliënt bijgestaan in de letselschadezaak tegen de verzekeraar van zijn ex-werkgever. Binnen het kantoor is het dossier een paar keer overgedragen. De cliënt is niet tevreden over de wijze waarop zijn zaak is behandeld. De (laatste) behandelend advocaat (hierna te noemen: de advocaat) was niet zakelijk en heeft zich niet aan de beroepscode gehouden. Hij heeft de situatie van de cliënt niet serieus genomen; de klachten van de cliënt werden gebagatelliseerd en er is geen adequaat medisch onderzoek verricht.
De advocaat heeft de cliënt onder druk gezet om een schikking te treffen met de wederpartij. Volgens hem moest de cliënt het door de wederpartij geboden bedrag aannemen, omdat hij anders weer terug bij af zou zijn. In dit bedrag zijn de emotionele schade, de restschade en het misgelopen pensioen van de cliënt niet meegenomen.
De cliënt verzoekt de commissie hem een vergoeding van € 25.000,- toe te kennen voor de schade die hij door toedoen van (de advocaten van) het kantoor heeft geleden.
Standpunt van het kantoor
Voor het standpunt van het kantoor verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Het kantoor betreurt het dat de cliënt de dienstverlening als ondermaats heeft ervaren. Het lange tijdsverloop dat is gelegen tussen het moment waarop de letselschadezaak van de cliënt met een vaststellingsovereenkomst (VSO) werd geregeld (12 april 2018) en het indienen van onderhavige klacht bij de commissie, bemoeilijkt het voeren van verweer. Niet alleen omdat twee van de drie destijds betrokken advocaten al geruime tijd niet meer bij het kantoor werkzaam zijn, maar ook omdat de gestelde verwijten betrekking hebben op gebeurtenissen die zich al geruime tijd geleden hebben voorgedaan. Bovendien heeft de cliënt over de dienstverlening van de destijds betrokken advocaten al eerder een vrijwel identieke klacht bij de Orde van Advocaten ingediend. Op die klacht is op 15 februari 2021 beslist. De cliënt kan deze klacht, vijf jaar later, niet opnieuw aan de commissie voorleggen. Het kantoor verzoekt de commissie daarom de cliënt niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht.
Indien en voor zover de commissie oordeelt dat de cliënt wel ontvankelijk is in de klacht, heeft het kantoor inhoudelijk gereageerd op de klacht van de cliënt en de commissie verzocht deze ongegrond te verklaren.
Het kantoor is van mening dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldige dossieroverdracht. De cliënt is ook niet op onzorgvuldige wijze onder druk gezet om met de aangeboden regeling akkoord te gaan. De destijds betrokken advocaten hebben hem voorzien van voldoende informatie op basis waarvan hij zelf de weloverwogen keuze heeft gemaakt om met het uiteindelijke regelingsvoorstel van de verzekeraar van de wederpartij akkoord te gaan. Bovendien ontbreekt het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de schade.
Reactie van de cliënt op het beroep op niet-ontvankelijkheid
De cliënt heeft in hoofdzaak als volgt gereageerd op de het beroep van de advocaat op niet-ontvankelijkheid.
De opdrachtovereenkomst is aangegaan met het kantoor als organisatie. De klacht heeft betrekking op de dienstverlening van het kantoor gedurende de gehele periode, ongeacht de interne personeelswisselingen. Het feit dat een specifieke medewerker is vertrokken, ontslaat het kantoor niet van zijn verantwoordelijkheid voor de geleverde diensten.
De cliënt verzoekt de commissie uitdrukkelijk om bij de beoordeling van de ontvankelijkheid mee te wegen dat de klacht gericht is tegen de juridische entiteit van het kantoor.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Het kantoor beroept zich op niet-ontvankelijkheid. Gelet op dit verweer van het kantoor dient de commissie te onderzoeken of de cliënt kan worden ontvangen in de klacht.
De commissie stelt vast dat het kantoor de cliënt heeft bijgestaan in een letselschadezaak. Deze zaak is in april 2018 geëindigd door een schikking met de wederpartij. De cliënt is achteraf niet tevreden over de dienstverlening door het kantoor. Hij heeft hierover in september 2020 reeds een klacht ingediend bij de Raad van Discipline. De voorzitter van de Raad van Discipline heeft de klacht bij beslissing van 15 februari 2021 kennelijk ongegrond verklaard. De cliënt heeft zich op 3 juli 2025 met een klacht tot de commissie gewend.
Hoewel – anders dan het kantoor stelt – de tuchtrechtelijke procedure bij de Raad van Discipline op zich niet in de weg staat aan een procedure bij de commissie, is tussen de beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline en de melding van de klacht bij de commissie een periode van ruim vier jaar verstreken.
Bovendien heeft de klacht betrekking op de door het kantoor gedurende de periode van 2015 tot april 2018 verleende bijstand.
Naar het oordeel van de commissie levert het aanzienlijke tijdsverloop strijd op met de klachtplicht van artikel 6:89 BW, dat voorschrijft dat geklaagd dient te worden zodra dit mogelijk is en binnen een redelijke termijn. De commissie neemt daarbij in aanmerking dat de klacht zich met name richt tegen de advocaat en deze al geruime tijd niet meer werkzaam is bij het kantoor. De cliënt acht weliswaar het kantoor als juridische entiteit verantwoordelijk voor de geleverde diensten, maar dit neemt niet weg dat het kantoor door het vertrek van de advocaat en het lange tijdsverloop in het kader van verweervoering in een nadelige positie is komen te verkeren. De cliënt heeft nog gesteld dat hij kampte met gezondheidsproblemen (een zware depressie) waardoor hij niet eerder een klacht bij de commissie kon indienen. Echter, de commissie kan op grond van deze enkele mededeling – zonder nadere onderbouwing – niet vaststellen dat een zo ruim tijdsverloop te rechtvaardigen is.
Gelet op het voorgaande zal de commissie de cliënt niet-ontvankelijk verklaren in de klacht. De commissie komt daarom in beginsel niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het geschil.
Louter ten overvloede overweegt de commissie nog als volgt.
De commissie constateert dat de klacht van de cliënt met name ziet op de schikking die met de wederpartij is getroffen en de advisering daaromtrent door de advocaat. Gelet op het tijdsverloop kan de commissie het verwijt van de cliënt aan de advocaat niet meer dan marginaal toetsen.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het de commissie voor dat de advocaat in zijn advisering heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Hij heeft de cliënt geadviseerd over de goede en kwade kansen van het accepteren van het (eind)bod van de wederpartij. Daarbij heeft hij de cliënt de keuze gelaten om dit bod niet te accepteren en verder het medisch traject in te gaan. Nu de cliënt daar kennelijk niet voor heeft gekozen, kan hij het kantoor daarvan achteraf geen verwijt maken.
Beslissing
De commissie verklaart de cliënt niet-ontvankelijk in de klacht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 8 juli 2026.