Commissie: Energie
Categorie: Eindafrekening
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
223260/229565
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Partijen discussiëren over de vraag of de ondernemer over drie jaar of over twee jaar een naheffing voor gas en elektriciteit in rekening mag brengen en over de wijze waarop de naheffing is berekend.
De uitspraak
Beoordeling
Tussen partijen is een overeenkomst voor de levering van gas en elektriciteit tot stand gekomen op 26 maart 2018. Tot 16 maart 2023 is de jaarafrekening steeds vastgesteld op basis van geschatte meterstanden. De ondernemer heeft vanaf 1 maart 2020 de jaarafrekeningen gecorrigeerd.
Op grond van artikel 28 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is op deze kwestie een verjaringstermijn van twee jaar van toepassing. Overeenkomstig artikel 313 van boek 3 BW begint die termijn te lopen op de dag nadat de onmiddellijke nakoming gevorderd kan worden. Ingeval van een jaarafrekening is dat de dag na de uiterste dag waarop betaald dient te worden. Voor wat betreft de jaarafrekening over het jaar 2020 is de uiterste betaaldag 17 maart 2021 zodat vanaf 18 maart 2021 de verjaringstermijn van twee jaar gaat lopen.
Vast staat dat de ondernemer alsnog schriftelijke nakoming heeft gevraagd op 16 maart 2023. Dat betekent dat de verjaring van de vordering met betrekking tot de jaarafrekening over het jaar 2020 is gestuit en dat de ondernemer ook het verbruik op deze jaarafrekening mag corrigeren naar het werkelijke verbruik.
De ondernemer heeft met betrekking tot de elektriciteit het energieverbruik dagevenredig herverdeeld over vijf jaar. Met betrekking tot de laatste drie jaar heeft zij alleen het verschil tussen het in rekening gebrachte verbruik en het niet in rekening gebrachte maar inmiddels geschatte verbruik tegen de toen geldende tarieven aan de consument in rekening gebracht.
Met betrekking tot het gasverbruik heeft zij een herverdeling gemaakt aan de hand van de graaddagenmethodiek en aan de hand daarvan het verschil tussen het in rekening gebrachte verbruik en het niet in rekening gebrachte inmiddels geschatte verbruik tegen de toen geldende tarieven over de drie jaren in rekening gebracht.
Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer daarmee steeds een juiste wijze van (her)berekening toegepast en de correctie ook op een juiste wijze berekend. Dat de consument, althans haar vertegenwoordiger tot een andere – de commissie niet inzichtelijk geworden – berekening komt, doet daar niet aan af.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mevrouw mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, de heer R.A. Timmer, de heer H.W. Zuur, leden, op 15 januari 2024.