Foutieve meterstand leidt tot navordering: klacht deels gegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Meterstanden    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies na tussen advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 970313/1007733

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument diende een klacht in bij de Geschillencommissie Energie over een hoge navordering van € 3.994,84 voor warmteverbruik, ontstaan door een fout in de meteradministratie van de ondernemer. Bij de plaatsing van een slimme meter in februari 2020 werd per ongeluk een beginstand van 56.796 GJ geregistreerd in plaats van de werkelijke stand van 0,001 GJ. Hierdoor konden de door de consument opgegeven meterstanden jarenlang niet worden verwerkt, en ontving hij jaarnota’s gebaseerd op de oude meter. Pas in mei 2024 werd het werkelijke verbruik vastgesteld op 189 GJ. De ondernemer corrigeerde de nota’s en hield rekening met de wettelijke verjaringstermijn van twee jaar, waardoor 33 GJ buiten invordering bleef. De commissie oordeelt dat de consument het werkelijke verbruik moet betalen en dat de ondernemer terecht een navordering heeft gestuurd. Wel vindt de commissie dat de ondernemer te laat en onvoldoende duidelijk heeft gecommuniceerd over de fout, wat voor de consument veel overlast heeft veroorzaakt. Daarom moet de ondernemer het klachtengeld van € 52,50 en een extra tegemoetkoming van € 50 aan de consument betalen. De aangeboden betalingsregeling van € 50 per maand wordt als redelijk beschouwd. De klacht is deels gegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Samenvatting

De ondernemer heeft bij brief van 28 juli 2025 voldaan aan het verzoek van de commissie.

De consument heeft daarop vervolgens zijn reactie kenbaar gemaakt.

Beoordeling

De commissie heeft geen aanleiding gevonden om aan de gegeven informatie te twijfelen, die de ondernemer heeft gegeven. Uit de ontvangen informatie blijkt het volgende.

Op 7 februari 2020 is er bij de consument een slimme meter geplaatst. De plaatsingsstand was 0,001 GJ maar in de administratie van de ondernemer is per ongeluk een beginstand gehanteerd van 56.796 GJ.
De fout is niet direct opgemerkt. De handmatig opgegeven meterstanden die de consument verschillende keren heeft doorgegeven, konden niet worden verwerkt in de administratie van de ondernemer.
Die pasten niet in de meetreeks van de ondernemer.
De consument heeft jaarnota’s ontvangen berekend op basis van de standen van de oude warmtemeter.
Toen de consument op 13 mei 2024 een foto van de actuele meterstand aanleverde, bleek dat door de consument in de periode van februari 2020 tot 24 juni 2024 in totaal 189 GJ was verbruikt.
Gebleken is bovendien dat aan de consument in de voorgaande jaren te weinig verbruik in rekening is gebracht.
De eerder verzonden jaarnota’s zijn gecorrigeerd en bij het opstellen van de correctie van 27 november 2024 is rekening gehouden met de wettelijke verjaringstermijn van twee jaren. Het verbruik, dat de consument bij de eerder verzonden jaarnota’s niet in rekening is gebracht in de periode van voor 13 mei 2022, bedroeg 33 GJ. De huidige vordering van de ondernemer bedraagt € 3.994,84. Daarvoor heeft de ondernemer de consument een betalingsregeling aangeboden van € 50,– per maand.

De ondernemer hecht kennelijk waarde aan het feit dat de consument geen toestemming heeft gegeven om de slimme meter op afstand uit te lezen. Dat het zo lang heeft geduurd voordat de fout werd hersteld zou mede daaraan gelegen hebben volgens de ondernemer, zo begrijpt de commissie. De commissie deelt die zienswijze niet. Met de consument is de commissie van oordeel dat het eenieder vrijstaat om al dan niet een uitleesmandaat te geven. Daar komt in dit geval bij dat de consument al kort na de plaatsing van de nieuwe meter de stand heeft doorgegeven.
Kennelijk heeft de ondernemer zich niet afgevraagd waarom de toen opgegeven stand niet paste in zijn meterreeks. Was de ondernemer toen de kwestie gaan onderzoeken dan was de fout zeer waarschijnlijk kort na de plaatsing van de meter ontdekt.
Het enkele feit dat de ondernemer zijn administratie zodanig inricht dat die soort signalen niet tot actie aanleiding geven, mag niet ten nadele van de consument gelden.
Uitgangspunt van de commissie is dat werkelijk verbruik betaald dient te worden. Dat uitgangspunt is van belang en daarom door de commissie meegenomen bij de beslissing.
Dat uitgangspunt geldt ook voor de consument.
Als alles goed gaat, betaalt een consument ieder jaar zijn verbruik op grond van de desbetreffende jaarnota die men ontvangt. In het geval van de consument is gebleken dat hem te weinig warmteverbruik in rekening is gebracht op de jaarnota’s van na de meterwissel.
De ondernemer is in zo een geval gerechtigd voor het verbruik dat niet eerder in rekening is gebracht, een navordering te sturen voor dat te weinig afgerekende verbruik.
Daarbij dient de ondernemer rekening te houden met de wettelijke verjaringstermijn.
In deze zaak heeft de commissie kunnen vaststellen dat de ondernemer dat correct heeft gedaan door
33 GJ buiten invordering te stellen.

De vordering van de ondernemer is juist en moet betaald worden.

Dat betekent dat de vordering van de consument moet worden afgewezen.

Overigens heeft de commissie geconstateerd dat de consument een nieuwe vordering heeft ingediend in zijn reactie op de informatie, die de ondernemer heeft verstrekt na het tussenadvies van de commissie.
Alleen al om procedureel geldende regels kan een dergelijke nieuwe vordering in deze fase van het geding niet worden gehonoreerd.

Het is duidelijk dat door de hele gang van zaken voor de consument de nodige overlast is ontstaan.
Het had op de weg van de ondernemer gelegen om de consument in een veel eerder stadium een duidelijke en onderbouwde uitleg te geven over de fouten die zijn gemaakt en de gevolgen ervan.
Het gaat immers om een aanzienlijke vordering en een lange periode.
Als de ondernemer de consument tijdig volledig en juist had geïnformeerd, dan was deze procedure mogelijk voorkomen. Pas op verzoek van de commissie bij tussenadvies is er een begrijpelijke uitleg gegeven. Naar het oordeel van de commissie dient de ondernemer daarom onder de gegeven omstandigheden in ieder geval het klachtengeld aan de consument te vergoeden.
Zoals eerder al is overwogen mogen administratieve problemen in de organisatie van de ondernemer niet ten nadele komen van de consument.
Dat is in dit geval wel gebeurd en daarom is de commissie van oordeel dat de ondernemer de consument een financiële tegemoetkoming verschuldigd is van € 50,–.
Overigens is de commissie van oordeel dat de aangeboden betalingsregeling alleszins redelijk is en gaat er van uit dat de ondernemer dat aanbod gestand zal doen.

Alles overwegende is de commissie van oordeel dat de klacht deels gegrond is.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing
De ondernemer betaalt de consument € 50,–. De commissie gaat ervan uit dat de ondernemer zijn aanbod met betrekking tot de betalingsregeling gestand doet.

De betaling dient te geschieden binnen vier weken na het versturen van dit bindend advies.

Het meer en anders gevraagde wordt afgewezen.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mevrouw mr. I.E. de Vries, voorzitter, de heer J.H.P.T. den Ouden, de heer J.H.P.T. den Ouden, leden, op 19 augustus 2025.

Opslaan als PDF