Bouwfout bij vloerconstructie leidt tot herstelplicht en dwangsom

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Verbouwingen en nieuwbouw    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: arbitraal vonnis   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 194250/200925

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument diende een klacht in over een bouwfout in zijn woning, waarbij de vloer en wanden niet volgens de veiligheidsnormen waren aangelegd. Uit onderzoek bleek dat de oplegging van de kanaalplaatvloeren te klein was door een fout in de bouwtekening van de leverancier. Hierdoor was de constructie niet veilig en voldeed niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De ondernemer had dit tijdens de bouw moeten opmerken en corrigeren, maar dat is niet gebeurd. De Geschillencommissie oordeelde dat de klacht gegrond is en dat de ondernemer de gebreken moet herstellen volgens het advies van een deskundige. Daarbij moeten ook bijkomende werkzaamheden in de slaapkamer en badkamer worden uitgevoerd. Als de ondernemer dit niet binnen drie maanden doet, moet hij een dwangsom van €250 per dag betalen, met een maximum van €10.000. De consument mag ook een beroep doen op de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling. Een verzoek van de consument om extra aanpassingen in de slaapkamer werd afgewezen.

De volledige uitspraak

Ondergetekenden:

mevrouw mr. M.L. Braaksma, de heer ing. G.J. van Ingen en mevrouw mr. C. Muller, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende eindvonnis gewezen.

De verdere behandeling van het geschil

In dit geschil hebben de arbiters op 8 augustus 2023 een arbitraal tussenvonnis tevens gedeeltelijk eindvonnis (hierna te noemen: het tussenvonnis) gewezen. De arbiters blijven bij de inhoud van het tussenvonnis.

Voor zover nu nog van belang hebben de arbiters in het tussenvonnis ten aanzien van het door de consument gestelde gebrek aan vloer/wanden bepaald dat de ondernemer zich met het rapport van een deskundige die door de consument is ingeschakeld, en met het rapport van de deskundige E.G. Spruitenburg, die door de commissie is ingeschakeld, wendt tot de constructeur opdat deze zich op de hoogte kan te stellen hoe de bestaande constructie is uitgevoerd en om te beoordelen of deze constructie uit een oogpunt van veiligheid al dan niet verantwoord is. Verder hebben de arbiters in het tussenvonnis bepaald dat de ondernemer de consument en de commissie in het bezit stelt van het schriftelijk rapport van bevindingen van de constructeur, dat beide partijen in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk bij de commissie op het rapport van de constructeur te reageren en dat zij iedere verdere beslissing over het door de consument gestelde gebrek aan vloeren/wanden voor onbepaalde tijd aanhoudt.

Nadat het tussenvonnis was gewezen heeft de ondernemer een handgemaakte detailtekening van de oplegging van de vloerelementen ingebracht. Deze tekening draagt het opschrift Woonhuis (plaatsnaam) maar vermeldt niet de maker daarvan en bevat evenmin een toelichting. Omdat een andersluidende indicatie ontbreekt, gaan de arbiters ervan uit dat deze tekening betrekking heeft op de woning van de consument.

De ondernemer heeft geen uitvoering gegeven aan wat hem in het tussenvonnis is opgedragen. Hierdoor werd het noodzakelijk een constructeur als deskundige in te schakelen. De commissie heeft een onderzoek laten uitvoeren door de deskundige/constructeur voor constructief advies en berekeningen in de bouwkundige en civiele techniek. De commissie heeft de deskundige/constructeur in het bezit gesteld van de hiervoor genoemde rapporten en de hiervoor genoemde tekening en de vraag gesteld of de huidige constructie van vloer en wanden van de woning van de consument uit het oogpunt van veiligheid verantwoord is. De deskundige/constructeur heeft op 9 februari 2024 schriftelijk aan de commissie gerapporteerd. De inhoud van dit rapport geldt ‒ voor zover hierna niet aangehaald ‒ als hier herhaald en ingelast.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk op dat rapport te reageren. De consument heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en de commissie laten weten dat hij zich kan vinden in het rapport. De ondernemer heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De verdere procedure heeft zonder nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden omdat geen van partijen de wens daartoe te kennen heeft gegeven en de arbiters een dergelijke behandeling niet nodig hebben gevonden.

De verdere beoordeling van het geschil

Uit het rapport van de deskundige/constructeur blijkt – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende.

De deskundige/constructeur heeft op 23 januari 2024 de woning van de consument bezocht en daar het door de consument gestelde gebrek aan vloer/wanden geïnspecteerd.

Volgens de deskundige/constructeur is de oorzaak van de te geringe opleggingen het gevolg van een foutieve onderleggertekening die door de leverancier van de kanaalplaatvloeren is gemaakt. Op die tekening behoren de vloer dragende onderdelen, zoals stalen liggers onder de tweede verdiepingsvloer en wanden op de eerste verdieping, te worden weergegeven. Op deze tekening is als oplegging voor de kanaalplaatvloeren tussen de ruimten 1.04 (badkamer) en 1.05 (slaapkamer) een stalen ligger aangehouden zoals deze ook is toegepast boven ruimte 1.01 (overloop). In werkelijkheid is de stalen ligger alleen maar aangebracht boven de overloop en niet boven de 100 mm dikke dragende scheidingswand.

Tijdens de maatvoering controle door de aannemer is dit niet opgemerkt; dit is pas geconstateerd tijdens het leggen van de kanaalplaten. Na deze constatering zijn de kanaalplaten zover mogelijk tegen elkaar aangelegd wat in de praktijk inhoudt dat er nog een minimale voeg overblijft en er tevens een paar extra wapeningsstaven in de voegen aangebracht zijn, maar dit is onvoldoende om aan de minimale opleggingsvereisten te voldoen. Door het opschuiven van de kanaalplaatvloeren bedragen de opleggingen van de kanaalplaten ter plaatse van de tussenmuur 50 mm en ter plaatse van de eindopleggingen a = 100 – 25 = 75 mm.

De vuistregel voor minimale oplegging voor beton op beton bedraagt 80 mm. Dit houdt in dat de minimaal benodigde opleggingen nader bepaald dienen te worden volgens art. 10.9.5.3 van de NEN-EN 1992-1-1:2005+A1:2015+NB:2016+A1:2020.

De reken technisch minimaal benodigde opleglengte a voor de platen 30 en 31 met de theoretische overspanning van een lengte van 3780 mm bedraagt 65,1 mm; voor de platen 35 en 36 met de theoretische overspanning van een lengte van 5780 mm bedraagt de minimaal benodigde opleglengte 65.3 mm.

De opleglengtes op de binnenspouwbladen bedragen 75 mm en zijn groter dan 65,1 mm en 65.3 mm, maar de opleglengtes ter plaatse van de scheidingswand bedragen slechts 50 mm en zijn kleiner dan de minimaal benodigde opleglengtes. De opleggingen ter plaatse van de scheidingswand zijn onvoldoende en deze dienen aan beide zijden vergroot te worden.

De deskundige/constructeur heeft het volgende hersteladvies gegeven. Aan beide zijden van de scheidingswand een hoekstaal L80x65x8 strak onder de kanaalplaten aanbrengen en de hoekstalen onderling bevestigen door middel van een draadstang M16 (4.6). De afstand van het hart van de draadstang tot de onderzijde van de vloer dient minimaal 50 mm te bedragen zoals weergeven in figuur 3 van zijn deskundigenrapport. De hart op hart afstanden van de bevestigingen bedragen h.o.h. = 300 mm. Boorgaten in de betonnen scheidingswand en de hoekstalen bedragen minimaal Ø 18 mm en deze dienen na het aanbrengen van de draadstang gevuld te worden met een seismische/uitvulset van Hilti of een gelijkwaardig materiaal.

De arbiters overwegen als volgt.

De arbiters achten zich door de inhoud van het rapport van de deskundige/constructeur voldoende voorgelicht en zij volgen zijn oordeel.

De ondernemer heeft zich in de aannemingsovereenkomst tegenover de consument verbonden diens woning te bouwen naar de eis van goed en deugdelijk werk met inachtneming van de voorschriften van overheid en nutsbedrijven.

De deskundige/constructeur heeft de opleggingen van de kanaalplaatvloeren tussen de ruimten 1.04 (badkamer) en 1.05 (slaapkamer) getoetst aan de door hem in zijn rapport genoemde NEN-normen. Gebleken is dat de opleggingen niet beantwoorden aan die normen, die minimale normen betreffen ten behoeve van de veiligheid en bruikbaarheid van bouwconstructies. Dit leidt tot de conclusie dat de ondernemer geen goed en deugdelijk werk heeft geleverd. De ondernemer is dan ook aansprakelijk voor de ondeugdelijke uitvoering van het werk. Daaraan doet niet af dat de oorzaak van de te geringe opleggingen het gevolg was van een foutieve onderleggertekening. Dat zou namelijk alleen dan anders (kunnen) zijn als de consument de onderleggertekening aan de ondernemer zou hebben aangeleverd, maar dat is gesteld noch gebleken.

De arbiters zijn op grond van wat zij hiervoor hebben overwogen van oordeel dat de vordering van de consument tot herstel van de gebreken aan de constructie van vloer/wanden toewijsbaar is, dit met inachtneming van het rapport van de deskundige/constructeur.

De ondernemer zal ook worden veroordeeld tot uitvoering van de bijkomende werkzaamheden, die bestaan uit: slaapkamer ontruimen, badkamermeubel inpakken, in de badkamer een strook breed 0,5m van het verlaagd plafond verwijderen, in de slaapkamer de polystyreen sierlijst verwijderen, stalen hoeklijn in de slaapkamer middels een koof aftimmeren, polystyreen sierlijst tegen de koof lijmen, plafond badkamer herstellen, nieuwe stuclaag over plafond badkamer, sauswerk plafond badkamer, schilderwerk koof, vuilafvoer, uitpakken badkamermeubel en schoonmaken. Als het plafond in de badkamer niet voldoende laag is aangebracht, waardoor de hoeklijn onder het plafond uitsteekt, zal alsnog een koof tussen het plafond en de bovenkant van het badkamermeubel gemaakt moeten worden.

De arbiters zullen de ondernemer ook veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval hij aan de hoofdveroordeling niet voldoet. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

Het verzoek van de consument een nieuwe voorzetwand aan te brengen om de hoeklijn in de slaapkamer te verbergen wordt afgewezen. Indien namelijk in de oorspronkelijke bouw de stalen ligger, die in de vloer ter plaatse van de overloop is aangebracht, doorgetrokken zou zijn waardoor het probleem zich niet zou hebben voorgedaan, dan was die ligger in de slaapkamer ook zichtbaar geweest.

Toepasselijkheid garantieregeling

Artikel 4 van de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling Eengezinswoning 2013 bepaalt dat de deelnemer ‒ en dat is in dit geval de ondernemer ‒ ervoor instaat dat het werk zal voldoen aan de toepasselijke eisen voor nieuwbouw conform het Bouwbesluit, de eisen van goed en deugdelijk werk en de normen uit artikel 7 van die regeling. Hiervoor hebben de arbiters geoordeeld dat de ondernemer ten aanzien van de constructie vloer/wanden geen goed en deugdelijk werk heeft geleverd. Daarvoor komt de consument een beroep op de garantieregeling toe.

Beslissing

De arbiters, als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarvan deel uitmakende voorwaarden, beslissen als volgt:

Verklaren de klacht van de consument over de constructie vloer/wanden gegrond;

Veroordelen de ondernemer om ‒ binnen drie maanden na de datum waarop dit vonnis is verzonden ‒ de gebreken aan die constructie met inachtneming van het rapport van de deskundige/constructeur zodanig te herstellen dat voldaan wordt aan de eisen van goed en deugdelijk werk en de hiervoor genoemde bijkomende werkzaamheden uit te voeren;

Veroordelen de ondernemer tot betaling van een dwangsom van € 250,– per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft voormelde veroordeling na te komen;

Bepalen dat boven een bedrag van € 10.000, — geen dwangsommen meer worden verbeurd;

Wijzen af wat de consument meer of anders heeft gevorderd of verzocht;

Stellen vast dat aan de consument in verband met de onderhavige klacht een beroep toekomt op de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling Eengezinswoning 2013.

Dit arbitraal vonnis is gewezen te Den Haag op en door de arbiters van de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw ondertekend Mevrouw mr. M.L. Braaksma, De heer ing. G.J. van Ingen & Mevrouw mr. C. Muller op 7 mei 2024.

Opslaan als PDF