Boete na te laat kopen van e-ticket blijft staan

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Openbaar Vervoer    Categorie: Boete    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 914574/1012287

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kreeg op 9 januari 2025 een boete omdat hij geen geldig ticket kon tonen tijdens controle. Hij zegt dat hij door problemen met zijn telefoon het ticket niet kon laten zien en vraagt om kwijtschelding, omdat het zijn eerste boete is. De ondernemer legt uit dat het ticket pas om 12:34 uur is gekocht, terwijl de trein om 12:21 uur vertrok en de controle om 12:33 uur plaatsvond. Volgens de voorwaarden moet een e-ticket vóór vertrek worden gekocht; een ticket na vertrek is ongeldig. De conducteur heeft daarom terecht een boete gegeven. Er bestaat geen regel dat een eerste boete wordt kwijtgescholden. De commissie is het eens met de ondernemer: de klacht is ongegrond en de boete blijft staan.

De volledige uitspraak

BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Openbaar Vervoer

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft een boete.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Consument is een alleenstaande vreemdeling uit [locatie]. Consument reist al jarenlang met de trein en heeft nog nooit een boete gehad. Op 9 januari kon consument door problemen met het netwerk op de telefoon niet aantonen dat consument een ticket heeft gehad. Omdat het de eerste keer was dat consument een boete kreeg, wil consument graag dat de boete wordt kwijtgescholden.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Consument heeft op 9 januari 2025 een Uitstel van Betaling met wettelijk verhoging gekregen, omdat zij tijdens de controle van de vervoerbewijzen geen geldig vervoerbewijs aan de conducteur kon laten zien. Consument reisde met de trein van 12.21 uur vanaf station [locatie]. De controle vond ongeveer 10 minuten later plaats. Het UvB is uitgeschreven om 12.33 uur. De Jongeren Dagkaart, waar consument een afbeelding van heeft bijgevoegd, is een E-ticket. In de AVR-[ondernemer] staat bij de begripsomschrijving van het E-ticket en in artikel 1.2 onder ii dat op een E-ticket de Voorwaarden E-ticket van toepassing zijn. In deze voorwaarden staat onder punt 2.3 laatste bullit: ‘Het E-ticket moet vóór de aanvang van de reis zijn aangeschaft. E-tickets die na aanvang van de reis zijn aangeschaft, zijn ongeldig’. Op de afbeelding van de Jongeren Dagkaart die de consument bij heeft gevoegd, is in de linkerbovenhoek te zien dat deze kaart pas om 12.34 uur is gekocht. Op het moment dat de conducteur controleerde beschikte consument dus nog niet over een geldig vervoerbewijs. Consument had het vervoerbewijs moeten kopen vóór vertrek van de trein. Nu consument pas na aanvang van de reis een E-ticket heeft aangeschaft, is het vervoerbewijs ongeldig. De conducteur heeft terecht een UvB uitgeschreven. [Ondernemer] ziet geen grondslag om het betaalde vervoerbewijs en de wettelijke verhoging aan [consument] terug te betalen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie onderschrijft het standpunt van [ondernemer]. Het ticket is pas aangeschaft nadat de boete was opgelegd. Bij de commissie en [ondernemer] is niets bekend van een beleidsregel dat in deze gevallen een eerste boete zal worden kwijtgescholden. De klacht treft geen doel.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit mr. D.J. Buijs, voorzitter, mr. P. Vonk en mr. M.A. Keulen, leden, op 22 mei 2025.

 

De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.

 

Opslaan als PDF