Commissie: Waterrecreatie
Categorie: Opzegging
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1235235/1309592
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de opzegging door de ondernemer van de parkeerplaats van de consument op het haventerrein van de ondernemer.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument huurt sinds lange tijd een woonarkligplaats met parkeerplaats – alsmede een reguliere ligplaats voor een sloep – van de ondernemer. Op 18 december 2024 heeft de ondernemer per e-mail de mogelijkheid tot parkeren op het haventerrein per 1 april 2025 opgezegd. Op 11 februari 2025 heeft de ondernemer per 1 april 2025 parkeergelegenheid op datzelfde terrein opnieuw aangeboden tegen een twee keer zo hoog halfjaarlijks bedrag van € 600,– (voorheen € 282,–), terwijl daar geen extra voorziening of service tegenover staat. De consument heeft niet ingestemd met de opzegging en buitenproportionele verhoging. Hij heeft meermaals aangegeven dat hij de ondernemer houdt aan de huurovereenkomst inclusief de maximale jaarlijkse wettelijke verhoging voor zowel ligplaats als parkeerplaats. De ondernemer is hierop niet ingegaan.
De ondernemer heeft per 18 februari 2025 het toegangssysteem voor de parkeerplaats gewijzigd en heeft de consument per 1 april 2025 verdere toegang tot het parkeerterrein ontzegd, zonder inachtneming van opzegtermijnen en eerdere overeenkomsten. Ook de borg voor het label van het oude toegangssysteem à € 50,– per label (2x) is niet terugbetaald.
De consument heeft de ondernemer daarop in gebreke gesteld, hetgeen deze naast zich neerlegt. Daarnaast is het zo dat huurders van ligplaatsen voor gewone boten gratis toegang hebben tot de parkeerplaats. De consument huurt, naast de ligplaats voor de ark, ook een ligplaats voor een sloep. In die zin is er dus sowieso sprake van ongelijke behandeling.
Momenteel parkeert de consument nu min of meer gedwongen op de openbare (50 km/pu) weg, hetgeen tot overlast en gevaarlijke situaties kan leiden, terwijl het parkeerterrein leeg blijft. Ook voor toegang van hulpdiensten (brandweer, ambulance) op het terrein tot zo dichtbij als mogelijk bij de woonark, is de consument nu afhankelijk van de ondernemer.
De consument wenst als houder van een woonarkligplaats de parkeerplaats te blijven huren tegen de overeengekomen huurprijs van € 282,– per zes maanden (kostenpeil 2024) conform de bestaande huurovereenkomst, danwel – als huurder van een sloepligplaats- gratis toegang te krijgen tot het terrein.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument huurt een ligplaats voor een woonark op basis van een twaalfjarig contract d.d. 18 februari 2007. In dit contract is geen enkele bepaling opgenomen over een parkeerplaats. De overeenkomst heeft uitsluitend betrekking op de ligplaats. De parkeerplaatsen zijn altijd een losse faciliteit geweest, die per half jaar vooruit gefactureerd worden, en optioneel en tegen vergoeding ter beschikking werden gesteld (havenreglement/huishoudregels). In het verleden, o.a. bij mail van 29 augustus 2013, heeft de consument de huur van de parkeerplaats ook een keer opgezegd en heeft enige tijd daarna een nieuwe huur gesloten voor de parkeerplaats
In het najaar van 2024 heeft de ondernemer tijdig en schriftelijk gecommuniceerd dat de bestaande parkeermogelijkheid per 1 april 2025 zou eindigen. In dezelfde brief is aangegeven dat er vanaf die datum opnieuw parkeermogelijkheid beschikbaar zou zijn, waarover de consument nog nader geïnformeerd zou worden.
Vóór 1 april 2025 heeft de ondernemer per e-mail aan de consument het nieuwe tarief voor parkeren bekendgemaakt. Daarmee is parkeren opnieuw aangeboden onder gewijzigde voorwaarden. Tevens heeft de ondernemer een coulanceregeling (staffel) voorgesteld om de tariefaanpassing geleidelijk te laten verlopen. De consument heeft dit aanbod niet geaccepteerd en heeft verder niet inhoudelijk gereageerd.
Het is de vrijheid van de ondernemer om tarieven voor losse diensten te herzien, zeker als dit noodzakelijk is voor andere bedrijfsactiviteiten. De huur van een losse parkeerplaats valt niet onder een wettelijk beschermingsregime. De ondernemer heeft deze wijziging ruim van tevoren aangekondigd en daarbij zelfs een overgangsregeling aangeboden. Daarmee is voldaan aan de eisen van redelijkheid en billijkheid.
De ondernemer verzoekt de klacht van de consument ongegrond te verklaren.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie stelt vast dat partijen op 20 maart 2007 met elkaar een overeenkomst voor huur en verhuur van een ligplaats voor een woonark hebben gesloten, waarop de ’HISWA algemene voorwaarden voor huur en verhuur van lig- en bergplaatsen van vaartuigen’ (gedeeltelijk) van toepassing zijn verklaard. Verder hebben partijen het “Havenreglement bewoners jachthaven [naam ondernemer]’ ondertekend en afgesproken dat dit reglement woordelijk deel uitmaakt van de huurovereenkomst. In dit reglement is de mogelijkheid van gebruik van het jachthaven-parkeerterrein opgenomen.
Voorts hebben partijen met elkaar op 27 maart 2015 nieuwe schriftelijke afspraken gemaakt over het parkeren, die luiden als volgt:
“Het tarief voor parkeren door vaste bewoners op het terrein van jachthaven [naam ondernemer] zal 210 euro per auto per half jaar bedragen, te vermeerderen met 21% BTW. Aanpassing van dit tarief gebeurt op basis van CBS index voor gezinsconsumptie. Opzegging van een parkeerplaats blijft opzegbaar door beide partijen, zonder opgaaf van reden en dient een half jaar voor ingang van de nieuwe huurperiode schriftelijk opgezegd te worden. Dit is conform de afspraak zoals opgenomen in het “Huurcontract voor Woonarken te Jachthaven [naam ondernemer]”.
Bij e-mail van 18 december 2024 heeft de ondernemer de parkeermogelijkheid voor de auto van de consument op het terrein van de jachthaven per 1 april 2025 opgezegd.
In een e-mail van 11 februari 2025 heeft de ondernemer vervolgens het volgende aan de consument medegedeeld:
“Op 18 december 2024 hebben wij u de parkeermogelijkheid op ons afgesloten jachthaven terrein opgezegd. Zoals beloofd zouden wij u later informeren over de mogelijkheden voor komend seizoen. Eerdaags worden er modificaties/ vernieuwingen aan het slagboom systeem doorgevoerd. Het huidige pasjessysteem komt hierdoor mede te vervallen. Wij informeren u op een later tijdstip over de werking van het nieuwe systeem. Voor de bediening van het nieuwe systeem hebben wij het mobiele telefoonnummer(s) van u en uw eventuele partner nodig. Wanneer u gebruik wenst te maken van onze parkeergelegenheid op het afgesloten terrein vanaf 1 april a.s. dan zullen wij u daarvoor per auto de halfjaarlijkse kosten ad € 600,- incl. BTW vooraf in rekening brengen”.
De consument maakt bezwaar tegen de opzegging van de parkeerplaats en tegen de verhoging van de kosten voor parkeren. Hij wil dat hij mag blijven parkeren op het parkeerterrein van de jachthaven tegen het in 2015 afgesproken tarief (met indexering).
De commissie is van oordeel dat de ondernemer op grond van de afspraken die zijn gemaakt in 2015 – die als bijzondere afspraken prevaleren boven het (algemene) havenreglement – de overeenkomst mocht opzeggen. Echter, daarbij diende hij wel de daarin genoemde opzegtermijn van een half jaar vóór ingang van de nieuwe huurperiode in acht te nemen. Vaststaat dat dit niet is gebeurd; de ondernemer heeft op 18 december 2024 tegen 1 april 2025 opgezegd. Zoals ter zitting reeds is besproken, wordt de opzegging daarom geconverteerd in een opzegging per 1 oktober 2025. Immers, uit de factuur van 28 augustus 2024 blijkt dat de halfjaarlijkse huurperiodes van 1 oktober tot 1 april en van 1 april tot 1 oktober lopen. De bestaande overeenkomst is derhalve eerst per 1 oktober 2025 geëindigd. De commissie stelt vast dat de consument vanaf 1 april 2025 geen gebruik heeft kunnen maken van de parkeermogelijkheid op het jachtterrein, maar dat hem daarvoor ook niets in rekening is gebracht. Deze situatie kan de commissie niet terugdraaien.
De ondernemer heeft de consument een nieuw aanbod gedaan voor parkeren op het afgesloten terrein voor een bedrag van € 600,– inclusief BTW. Ook hiertoe was de ondernemer gerechtigd, nu de huur van een parkeerplaats (zijnde losse grond) geen gereguleerde huur betreft en de consument dus geen beroep kan doen op huurbescherming. Dit betekent dat de ondernemer de prijs voor het huren van een parkeerplaats mag bepalen. Het staat de consument vanzelfsprekend vrij het aanbod van de ondernemer alsnog te accepteren.
Dat huurders van sloepligplaatsen gratis toegang te krijgen tot het parkeerterrein en de consument ook van een ligplaats van een sloep gebruik maakt, maakt het voorgaande niet anders. Immers, in de rechtsverhouding tussen de consument en de ondernemer voor de losse parkeerplaats gelden nu eenmaal de tussen hen in 2015 gemaakte afspraken.
De commissie komt tot de conclusie dat de consument terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de opzegging van de ondernemer per 1 april 2025. De commissie zal zijn klacht dus gegrond verklaren. Zijn verzoek om de parkeerplaats te kunnen blijven huren tegen het in 2015 afgesproken tarief (met indexering) zal echter worden afgewezen.
Nu de klacht gegrond is, is de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie gehouden om het klachtengeld aan de consument te vergoeden. Bovendien is hij op basis van dit reglement de bijdrage in de behandelingskosten aan de commissie verschuldigd.
Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– wijst het door de consument verzochte af;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie binnen twee weken na de verzending van dit bindend advies een bedrag van € 102,50 aan de consument moet vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie aan de commissie behandelingskosten is verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie, bestaande uit de heer mr. J.N. de Blécourt, voorzitter, de heer J. Zetzema en mevrouw mr. M. Lodewijkx – Spithoff, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 24 november 2025.