Beëindiging overeenkomst recreatieplaats wegens permanent verblijf en openstaande kosten

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1148973/1261800

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

Het geschil gaat over de beëindiging van een overeenkomst voor een chaletplaats op een recreatiepark. De consument was het niet eens met de opzegging en stelde dat hij het chalet niet permanent bewoonde. Ook vermoedde hij dat discriminatie vanwege de huidskleur van zijn partner een rol speelde. De ondernemer ontkende dit en voerde aan dat de overeenkomst was beëindigd omdat de consument het chalet niet recreatief gebruikte, maar er vrijwel onafgebroken verbleef en van daaruit dagelijks naar zijn werk ging. Daarnaast stond volgens de ondernemer nog een rekening voor elektriciteit en water van € 989,35 open. De commissie oordeelde dat de consument zijn beschuldigingen van discriminatie onvoldoende had onderbouwd. Verder stelde de commissie vast dat geen sprake was van recreatief gebruik van het chalet, waardoor de ondernemer de overeenkomst na waarschuwingen mocht beëindigen. Ook vond de commissie dat de consument onvoldoende had aangetoond waarom de openstaande rekening lager zou moeten zijn. De klacht werd daarom ongegrond verklaard. De consument moet binnen een maand de standplaats met het chalet ontruimen en de openstaande rekening van € 989,35 aan de ondernemer betalen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de beëindiging door de ondernemer van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument maakt bezwaar tegen de beëindiging van de overeenkomst. Anders dan door de ondernemer aangegeven wordt het chalet niet door de consument permanent bewoont. De consument staat ook ingeschreven op een ander adres. De consument vermoedt dat de huidskleur van zijn partner de werkelijke reden is voor de beëindiging en er dus sprake is van discriminatie. De consument heeft dan ook aangifte gedaan bij de politie. Er is een onaangename sfeer ontstaan op grond waarvan de consument wil instemmen met de beëindiging op voorwaarde dat de ondernemer het chalet overneemt voor een bedrag van 8.000 euro of de kosten vergoed die gemoeid zijn met de ontruiming.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht is helemaal niet ingegeven door discriminatie. De stelling dat sprake zou zijn geweest van discriminatie en uitsluiting is enkel een reactie op de beëindiging door de ondernemer van de overeenkomst.

Alle feiten en omstandigheden in de periode van 17 september 2022 tot 8 november 2024 hebben aanleiding gegeven om de consument bij brief van 8 november 2024 te berichten dat de overeenkomst per 1 april 2025 niet langer zou worden voortgezet vanwege het door hem in strijd handelen met de toepasselijke (Recron-)voorwaarden voor vaste plaatsen en het in strijd handelen met ons parkreglement, omdat de consument niet recreatief gebruik maakte van het chalet.

Die brief is ongeopend retour gekomen op 22 november 2024 waarna die brief op diezelfde dag via mail nogmaals naar de consument is verzonden. Vervolgens heeft de consument vanuit het niets kennelijk op 3 december 2024 aangifte gedaan van discriminatie, racisme en uitsluiting. De vermeende discriminatie zou gepleegd zijn op 14 april 2023. Uit de door de ondernemer weergegeven tijdlijn met feiten en omstandigheden blijkt dat dit niet juist is en het te denken geeft dat er bijna anderhalf jaar gewacht is met het doen van een aangifte.

De consument ‘vergeet’ ook structureel zijn eigen handelen en nalaten te betrekken in de door hem opgestelde stukken en correspondentie. Zijn handelen en nalaten heeft in de korte tijd dat hij op ons park verbleef ook onevenredig veel negatieve energie en aandacht opgeëist. Wat betreft die aangifte is er door politie of justitie nog steeds geen contact met ons opgenomen.

De opzegging van de overeenkomst op 8 november 2024 heeft plaatsgevonden vanwege niet recreatief gebruik van de kampeerplaats. Er is in het seizoen 2024 een bijna onafgebroken verblijf geweest van 29 maart 2024 tot en met 4 november 2024, m.u.v. een vakantie in [land] van 14 juli tot 25 augustus. Er was een wekelijks vast patroon. De consument ging van maandag t/m vrijdag ’s morgens vroeg in werkkleding van de camping en kwam in de namiddag weer terug. Op zaterdag ging hij in nette kleding weg en kwam in de loop van de avond weer terug. Op zondag werd er gewassen op de wasserette.

Ook heeft volgens de gemeente [plaatsnaam] de consument vanaf 3 augustus 2023 gebruik gemaakt van een inschrijving met een briefadres en heeft hij aan de gemeente aangegeven per april 2024 op een camping te wonen. Uit het feitelijke gebruik bleek overduidelijk dat hij niet recreatief gebruik maakte van het chalet.

Het besluit in november 2024 om de overeenkomst per aanvang van het volgende overeenkomstjaar (dat bij de jaarlijkse start per 1 april) niet te verlengen, was dus geenszins gebaseerd op oneigenlijke gronden en was al helemaal niet onrechtmatig. Daar komt bij dat de consument niet rept over een tweede (voorwaardelijke) opzegging. Deze tweede opzegging vond haar oorzaak in een openstaande factuur betreffende het elektraverbruik over seizoen 2024/2025 en het meerverbruik water 2024/2025.

De ondernemer meent, onder verwijzing naar de tijdlijn in het verweerschrift, voldoende te hebben aangetoond dat het stroomverbruik ook daadwerkelijk plaats heeft gevonden.

De openstaande factuur van € 989,35 dient te worden voldaan. Daarom is ook bij brief en per mail aan de consument op 2 mei 2025 aangegeven dat, voor zover in de toekomst mocht komen vast te staan dat de eerdere opzegging van 8 november 2024 geen stand zou houden, de overeenkomst door niet-betaling van de openstaande factuur, ook op grond van art. 6 lid 2 van de toepasselijke Recron-voorwaarden (nogmaals) als opgezegd moet worden beschouwd.

Ook om die reden had de consument de kampeerplaats in elk geval op grond van artikel 15 lid 7 van de RECRON-voorwaarden uiterlijk 3 juni 2025 ontruimd en opgeruimd moeten hebben. Dit is niet gebeurd.
Wel is tussen partijen nog gecorrespondeerd over een door de ondernemer te betalen bedrag voor het chalet. De consument wenste naarmate de ‘onderhandelingen’ daarover zijn gevoerd een steeds hoger bedrag te ontvangen. Bovendien bleef hij onredelijke eisen stellen vanwege een verblijf in [land] en bleef hij weigeren om de openstaande factuur te betrekken bij de onderhandelingen over een eventueel te betalen bedrag voor het chalet.

Uit het voorgaande blijkt dat de consument de commissie een volstrekt éénzijdig en foutief beeld heeft gegeven van de situatie.

De ondernemer kan zich absoluut niet vinden in de aantijgingen betreffende discriminatie. Dit heeft immers simpelweg nooit plaatsgevonden en er zijn voor de consument, zijn partner en de familieleden geen andere regels c.q. behandeling geweest dan die gelden voor al de andere gasten.

Verzocht wordt de klacht ongegrond te verklaren en te bepalen dat de consument vanwege de bedinging van de overeenkomst de kampeerplaats leeg, vlakgemaakt, aangevuld met zwarte grond en inzaai-klaar moet opleveren.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Nu de ondernemer heeft weersproken dat er sprake zou zijn van discriminatie en uitsluiting zoals door de consument is betoogd, heeft de consument dit betoog onvoldoende onderbouwd. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en ingebracht is ook overigens niet komen vast te staan dat er van de zijde van de ondernemer sprake zou zijn van uitsluiting of discriminatie.

Partijen zijn het er over eens dat de overeenkomst tussen partijen ondermeer het bewonen behelst voor recreatieve doeleinden. Voorts heeft de consument niet dan wel onvoldoende weersproken dat hij, met uitzondering van een vakantie naar [land], gedurende de jaarlijkse openstelling van het park onafgebroken heeft verbleven in zijn chalet en vandaar uit dagelijks naar zijn werk is gegaan. Ook ter zitting heeft de consument dit niet weersproken. Naar het oordeel van de commissie is in deze dan ook in redelijkheid geen sprake van recreatief gebruik en was de ondernemer na gegeven waarschuwing, gerechtigd de overeenkomst te beëindigen.

De ‘tweede (voorwaardelijke)beëindiging’ vanwege het niet betalen van een factuur behoeft dan ook geen bespreking.

Wel twisten partijen over de betaling van die rekening. Het betreft het elektra gebruik en meerverbruik water ten bedrage van 989,35 euro. De ondernemer heeft gemotiveerd aangegeven op grond waarvan deze tot dit bedrag is gekomen. Daartegenover heeft de consument onvoldoende onderbouwd op grond waarvan deze rekening slechts 600 euro zou moeten bedragen. Het door de ondernemer in rekening gebrachte dient de consument dan ook aan de ondernemer te betalen.

Voorts is ter zitting naar voren gekomen dat de verhoudingen tussen partijen dusdanig verstoord zijn dat, los van hetgeen partijen daarover hebben gesteld, in redelijkheid beëindiging van die overeenkomst ook geboden is. Partijen hebben in verband daarmee ook tevergeefs getracht tot een schikking in der minne te komen.

Wat betreft het chalet kan van de ondernemer in redelijkheid niet worden verwacht deze te moeten overnemen vanwege de beëindiging van de overeenkomst. De consument kan deze verkopen dan wel voor eigen rekening en risico overbrengen naar een ander park dan wel ergens (doen) opslaan. Dat de ondernemer de consument zou hebben beperkt in de mogelijkheid tot verkoop is niet gebleken. De ondernemer heeft de consument wat dit betreft slechts gewezen op de geldende Recron-voorwaarden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en zal voorts bepalen dat de consument binnen een maand na verzending van deze uitspraak met zijn chalet de standplaats zal moeten hebben ontruimd en moet hebben opgeruimd en binnen deze termijn tevens aan de ondernemer de rekening elektra gebruik en meerverbruik water ten bedrage van 989,35 euro zal betalen.

Het meer of anders door partijen gevorderde zal worden afgewezen.

Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond en bepaalt dat de consument binnen een maand na verzending van deze uitspraak naar partijen met zijn chalet de standplaats dient te onruimen en dient te hebben opgeruimd en tevens binnen een maand na verzending van deze uitspraak aan partijen aan de ondernemer de rekening elektra gebruik en meerverbruik water ten bedrage van 989,35 euro dient te betalen.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, de heer mr. J.H. Willems, leden, op 7 oktober 2025.

 

Opslaan als PDF