Bevoegdheid bij klacht over foutief reisadvies voor internationale treinreis

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Openbaar Vervoer    Categorie: (On)bevoegdheid    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bevoegdverklaring   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 1184019/1266915

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument klaagde omdat zij verkeerde informatie kreeg van een Nederlandse vervoerder over het meenemen van haar hond op een internationale treinreis. Zij kocht op advies een Global Pass van €283, maar bij aankomst bleek dat haar hond alleen in een kleine bench mee mocht. De reis kon niet doorgaan en zij claimde €783,53 schadevergoeding.
De ondernemer stelde dat de commissie niet bevoegd is. Volgens artikel 3 lid 1 van het Reglement moet het gaan om een overeenkomst voor openbaar vervoer in Nederland. Hier ging het om een internationale reis en de pas is gekocht bij Eurrail B.V., niet bij de ondernemer. Het advies is geen onderdeel van een Nederlandse vervoersovereenkomst. Ook EU-Verordening 2021/782 biedt geen grond, omdat alleen de contractuele vervoerder aansprakelijk is.
De commissie verklaart zich onbevoegd om de klacht te behandelen.

De volledige uitspraak

Bevoegdverklaring
Geschillencommissie Openbaar Vervoer

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft schadevergoeding wegens een advies over een internationale treinreis.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 15 januari 2025 heb ik telefonisch contact opgenomen met [ondernemer] om te informeren
naar de vervoersvoorwaarden voor het reizen met mijn hond in treinen vanaf [locatie], tot aan
[locatie]. Mijn intentie was om vooraf tickets te kopen, waar mogelijk. Daarnaast koos ik bewust
voor de trein als een milieuvriendelijk en diervriendelijk alternatief voor vliegen.
De medewerker van [ondernemer] adviseerde mij, na overleg met een collega, dat ik het beste een
[ondernemer] Pas kon aanschaffen, want dat zou het meest voordelig zijn. Ze heeft online de voorwaarden
opgezocht, en verzekerde dat mijn hond het hele traject probleemloos mee kon reizen mits aangelijnd
en gemuilkorfd.
Op basis van dit advies heb ik een [ondernemer] Global Pass aangeschaft (€ 283,–).
In [locatie] aangekomen bleek de informatie die de [ondernemer] medewerker had verstrekt echter onjuist, want de toegang tot de trein voor mij en mijn hond werd geweigerd. Het bleek dat mijn hond uitsluitend mee
mocht in een bench van maximaal 35x35x60 cm, wat te klein is voor mijn hond.
Na lange discussies met het [externe partij]-personeel, werd het duidelijk dat de geplande treinreis niet doorging.
Het geld dat ik besteed had voor de tickets werd niet vergoed en ik was genoodzaakt alternatieve en
duurdere vervoersmiddelen en overnachtingen te regelen.
Door het foutieve advies van [ondernemer] heb ik een reis ondernomen die feitelijk niet uitvoerbaar
was, wat resulteerde in onnodige stress en kosten. Ik heb meermaals geprobeerd om dit uit te leggen aan
de [ondernemer], maar zij blijven herhalen dat ze geen tickets naar [locatie] verkopen. Dit is het punt niet; het punt is
dat de onjuiste informatie van [ondernemer] ertoe heeft geleid dat ik foutieve vervoersbewijzen heb
gekocht en mijn treinreis niet legaal was.
Gezien het gebrek aan coulance en de erkenning van foutieve informatie, zie ik mij genoodzaakt de volledige schade te verhalen.

Volgens Verordening (EU) 2021/782 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het
treinverkeer, is [ondernemer] als vervoerder verplicht om juiste en volledige informatie te
verstrekken over vervoersvoorwaarden. De erkenning van [ondernemer] dat ik onjuiste informatie heb ontvangen, maakt duidelijk dat hier sprake is van nalatigheid. Dat [ondernemer] geen tickets naar [locatie] verkoopt, ontslaat hen niet van de verantwoordelijkheid om geen foutieve informatie te verstrekken.

Ik verzoek de Geschillencommissie om te oordelen dat [ondernemer] aansprakelijk is voor de schade
die ik heb geleden als direct gevolg van de onjuiste informatie, en een compensatie toe te kennen van in totaal € 783,53.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

[ondernemer] is van oordeel dat op grond van de taakomschrijving als vastgelegd in artikel 3 lid 1 Reglement van de Geschillencommissie deze klacht niet in behandeling kan nemen.
Om te beginnen geeft [consument] aan dat zij de [ondernemer]pas heeft gekocht via de website van [ondernemer]. Echter, dat wil niet zeggen dat de [ondernemer]pas is gekocht bij [ondernemer] zelf: de website van [ondernemer] linkt namelijk door naar een website van verkoper van de [ondernemer]pas, Eurrail B.V. Met andere woorden: de overeenkomst betreffende de aankoop door [consument] van de [ondernemer]pas heeft plaatsgevonden tussen haar en Eurrail BV. [ondernemer] is daarbij geen partij.
Daarnaast merkt [ondernemer] nog op dat op grond van artikel 3 lid 1 van het Reglement de klacht betrekking moet hebben op de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst met betrekking tot openbaar vervoer in Nederland. In het onderhavige geval is sprake van overeenkomst waarbij de koper het recht heeft bij diverse vervoerders in Nederland maar ook in de rest van Europa vervoersovereenkomsten aan te gaan voor vervoer per spoor. Het geschil betreft ook een vervoersovereenkomst die buiten Nederland is gesloten.
Tenslotte merkt [ondernemer] nog op dat zij uitdrukkelijk betwist dat sprake is geweest van het verstrekken van enige informatie terzake het gebruik van een [ondernemer]pas danwel dat er sprake zou zijn van het vertrekken van onjuiste informatie. Er is namelijk geen registratie van enig telefoongesprek dat [ondernemer] met [consument] voorafgaand aan haar reis zou hebben gevoerd.
[ondernemer] verzoekt Uw Commissie dan ook zich onbevoegd te verklaren dit geschil te behandelen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie zal eerst beoordelen of zij bevoegd is te oordelen over de klacht en richt zich daarbij op artikel 3 van haar Reglement. Als uitgangspunt daarbij geldt dat uitgegaan wordt van de klacht zoals die is ingediend. De commissie komt daarmee nog niet toe aan een oordeel over het hebben plaatsgevonden van een dergelijk adviesgesprek noch of dit correct was danwel aansprakelijkheid of schadevergoeding oplevert.

In haar reactie op het verweer heeft de consument erop gewezen dat haar klacht heeft betrekking op foutieve reisinformatie die op 15 januari 2025 door [ondernemer] telefonisch is verstrekt, met betrekking tot het reizen met een hond op het traject van [locatie] (NL) naar [locatie] waarbij de reis startte in [locatie], waarbij het advies werd verstrekt door een Nederlandse vervoerder, en de communicatie verliep volledig via Nederlandse kanalen.
Het telefoonnummer van het [ondernemer] Service Centre kreeg zij beweerdelijk van een [ondernemer]-medewerker op het station in [locatie]. Omdat er op dat moment geen loketten meer waren voor internationale reizen, verliepen alle vragen en boekingen via dit centrale nummer. Als klant vertrouwde zij erop dat [ondernemer] haar van betrouwbaar en wettelijk correct advies voorziet ten aanzien van internationale treinreizen.
Dat een onjuist advies werd gegeven had volgens haar directe gevolgen gehad voor haar reis. Zij wil daarmee aangeven dat het geschil niet het vervoer in [locatie] betreft, maar het onjuiste en misleidende advies van [ondernemer] over een internationaal traject dat in Nederland begon.

De commissie onderkent dat de consument haar klacht expliciet niet richt op de vervoersovereenkomst betreffende (het gedeelte) [locatie] maar op het beweerde voorafgaande advies van de kant van de ondernemer, maar moet vaststellen dat het geschil niet onder de reikwijdte van artikel 3, lid 1 van het Reglement van de Geschillencommissie Openbaar Vervoer geschaard kan worden. Het beweerde advies kan niet worden beschouwd als onderdeel van de totstandkoming van een overeenkomst met betrekking tot openbaar vervoer in Nederland met de ondernemer. Een deel van de reis vond wel plaats in Nederland maar niet op basis van een overeenkomst met de ondernemer. Voor zover er betrokkenheid was van de ondernemer nu beweerdelijk gebruik gemaakt is van diens website voor het boeken van de reis moet worden vastgesteld dat dit geen directe betrokkenheid van de ondernemer met zich meebrengt. Zoals de ondernemer heeft toegelicht geeft de website van [ondernemer] alleen een link naar een website van verkoper van de [ondernemer]pas, Eurrail B.V. De ondernemer wordt daardoor geen partij bij de overeenkomst.

Aan het verweer over de ontkenning van het telefoongesprek komt de commissie zodoende niet toe. Evenmin aan de beoordeling van de opmerking in een e-mail van 29 februari 2025 van het hoofd klantenservice van [ondernemer], die aangeeft te betreuren: “dat het en voor de onjuiste of onvolledige informatie die u tijdens dat gesprek ontvangen heeft, welgemeende verontschuldigingen aanbiedt”, Die opmerking kan in ieder geval niet leiden tot het aannemen of erkennen van een overeenkomst tussen partijen.

De slotsom is dat de commissie op basis van haar reglement geen bevoegdheid toekomt tot het beoordelen van de klacht.

De consument beroept zich nog op de Verordening (EU) 2021/782 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer en stelt dat de ondernemer als vervoerder verplicht om juiste en volledige informatie te verschaffen. Ook in dat verband moet worden vastgesteld dat de oneernemer niet als vervoerder kan worden aangemerkt,
Waar in de Verordening wordt verwezen naar Bijlage I (UITTREKSEL UIT DE UNIFORME REGELEN BETREFFENDE DE OVEREENKOMST VAN INTERNATIONAAL
SPOORWEGVERVOER VAN REIZIGERS EN BAGAGE (CIV) Aanhangsel A bij het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd
bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999) blijkt dat ook uit de begripsbepaling in artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen wordt verstaan onder:
a) “vervoerder”: de contractuele vervoerder met wie de reiziger overeenkomstig deze Uniforme Regelen de vervoerovereenkomst heeft gesloten, of een opvolgende vervoerder, die op grond van deze overeenkomst aansprakelijk is;
b) “ondervervoerder”: een vervoerder die niet de vervoerovereenkomst heeft gesloten met de reiziger, maar aan wie de
onder a) bedoelde vervoerder de uitvoering van het vervoer per spoor geheel of gedeeltelijk heeft toevertrouwd;
c) “algemene vervoervoorwaarden”: de voorwaarden van de vervoerder in de vorm van algemene voorwaarden of van in
iedere lidstaat rechtens geldende tarieven die door het sluiten van de vervoerovereenkomst onderdeel daarvan zijn
geworden;

2. Andere vorderingen buiten rechte met betrekking tot de vervoerovereenkomst moeten schriftelijk bij de in artikel 56, lid 2 en lid 3, bedoelde vervoerder worden ingediend.

De ondernemer kan ook niet als een ondervervoerder worden aangemerkt. Uit artikel 56 waarnaar wordt verwezen, blijkt te meer dat alleen de vervoerder aangesproken kan worden.

artikel 56
Vervoerders die in rechte kunnen worden aangesproken
1. …
2. Behoudens lid 4 kunnen andere op de vervoerovereenkomst gegronde rechtsvorderingen van reizigers uitsluitend worden ingesteld tegen de eerste of laatste vervoerder of tegen de vervoerder die dat deel van het vervoer verrichtte gedurende welke het feit dat tot de rechtsvordering heeft geleid, zich heeft voorgedaan.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

Verklaart zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit de heer mr. J.M.J. Godrie, voorzitter, de heer mr. P. Vonk, mevrouw drs. W. Nienhuis, leden, op 24 september 2025.

Opslaan als PDF