Bewijslastverdeling bij defect waarvan oorzaak niet direct kan worden vastgesteld.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Voertuigen    Categorie: Bewijs    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: VOE01-0189

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil   Het geschil vloeit voort uit een op 3 juli 2000 tussen partijen totstandgekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een gebruikte auto tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van ƒ 27.000,–, inclusief bijkomende kosten. De overeenkomst is uitgevoerd op of omstreeks 3 juli 2000.   De consument heeft in januari 2001 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Na aankoop bleek dat de auto een flink aantal mankementen vertoonde waarvoor hoge kosten in rekening werden gebracht. Totaal ƒ 8.166,25. Ik mocht verwachten dat voor een bedrag van ƒ 27.000,– een goede en deugdelijke auto zou worden geleverd. Het betreft bovendien een auto met een lage kilometerstand (77.458).   De consument verlangt restitutie van de reparatiekosten ad ƒ 8.166,25 en goede en kosteloze afstelling van de motor.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De commissie is onbevoegd op grond van artikel 5b van het Reglement nu de eerste klachten dateren van 2 maanden na afloop van de garantietermijn. Voorts is de consument niet ontvankelijk nu de 6 weken termijn als bedoeld in artikel 7 van het Reglement is overtreden. Wat de rekeningen betreft: de eerste twee rekeningen betreffen normaal onderhoud (ƒ 810,90 en ƒ 1.504,49). De laatste rekening is het gevolg van de omstandigheid dat de consument – ondanks de bekendheid met een lekke koppakking en een rokende uitlaat – met de auto is doorgereden. Zij heeft dit ook erkend. Omtrent deze reparatieopdracht en het vervangend vervoer zijn afspraken gemaakt met de consument die ook bij brief van 28 februari 2001 zijn bevestigd. De rekening is conform deze afspraken. Er is dus overeenstemming bereikt over de wijze van reparatie en de daarvoor in rekening te brengen kosten.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   In de eerste plaats is aan de orde of de commissie bevoegd is het geschil te behandelen en of de consument in haar klacht kan worden ontvangen.   Nu tussen partijen als onweersproken is komen vast te staan dat partijen een overeenkomst hebben gesloten waarvan de Algemene Bovag-voorwaarden deel uitmaken, is met toepassing van artikel 20 van die voorwaarden de commissie bevoegd. Dat de klacht buiten de garantietermijn zou zijn ingediend raakt niet de bevoegdheidsvraag, doch betreft het verweer van de ondernemer tegen de aanspraken van de consument jegens de ondernemer uit hoofde van die overeenkomst.    Blijkens de processtukken heeft de consument het onderhavig geschil – alvorens de klacht bij de commissie in te dienen – niet bij het bemiddelingsbureau van de Bovag te Bunnik ingediend. Het beroep op artikel 7 van het Reglement faalt derhalve, immers is de ingeroepen termijn eerst van toepassing indien de bemiddelingsprocedure is gevolgd.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie verklaart zich bevoegd het geschil te behandelen.   De consument wordt in haar klacht ontvankelijk verklaard.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Auto op 12 september 2001.
      Onderwerp van het geschil   Het geschil vloeit voort uit een op 3 juli 2000 tussen partijen totstandgekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een gebruikte auto (Chrysler Voyager, bouwjaar 1995, kilometerstand 77.458) tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van ƒ 27.000,=, inclusief bijkomende kosten. De levering heeft plaatsgevonden op of omstreeks 3 juli 2000. De consument heeft haar klacht in januari 2001 voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Voor het standpunt van de consument zij verwezen naar hetgeen dienaangaande is opgenomen in de beslissing op de bevoegdheid d.d. 12 september 2001.   Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   Ik heb de eerste keer witte rook uit de uitlaat zien komen. Ik heb toen de auto direct aan de kant gezet en de ANWB gebeld. Die constateerde een lekke koppakking, die vervolgens door de ondernemer is gerepareerd. Op de terugweg van vakantie in Oostenrijk heb ik blauwe rook gezien. Vrijwel op het moment dat ik die rook zag, viel de auto stil. Ik ben dan ook direct gestopt toen ik die rook zag. De auto is vervolgens door de ANWB op een autoambulance naar het bedrijf van de ondernemer gebracht. Ik wijt het defect aan de motor aan een onjuiste uitvoering van de reparatie aan de koppakking. Ik heb de auto inmiddels ingeruild, omdat ik er nog meer kosten aan kreeg. Ik heb er nog maar ƒ 14.000,= voor terug gekregen. Het is voor bij dus wel een heel dure auto geweest.   De consument verlangt restitutie van de reparatiekosten ad ƒ 8.166,25 en goede en kosteloze afstelling van de motor.   Standpunt van de ondernemer   Ook hiervoor zij verwezen naar hetgeen is opgenomen in de beslissing omtrent de bevoegdheid d.d. 12 september 2001.   Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   De motor is op de terugweg uit Oostenrijk vastgelopen door een gebrek aan smering. De blauwe rook duidt daar ook op. Dat gebrek aan smering kan niet zo maar optreden. Eerst is er de rook, dan wordt er gewaarschuwd door middel van een lampje en een belsignaal. De consument had direct moeten stoppen, toen zij blauwe rook zag.   Bij het uitvoeren van de reparatie aan de koppakking is de kop niet gevlakt. Dat was niet nodig: we hebben de kop gecontroleerd op vlakheid. Die bleef binnen de tolerantiegrenzen, zodat vlakken niet nodig was. Wij hebben monsters genomen van de olie en die opgestuurd. Daarbij zijn geen onregelmatigheden geconstateerd. Bij het aftappen van de olie is geen water in de olie waargenomen. Dan had er of eerst een plens water uit de auto moeten komen, wat direct opgevallen zou zijn, of de olie zou een grijze waas moeten hebben gehad. Een dergelijke waas is niet waargenomen.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Voor zover de consument zich beklaagt over de factuur d.d. 7 december 2000, is de klacht ongegrond. Het betreft, zoals door de ondernemer aangevoerd, een normale onderhoudsbeurt, uitgevoerd nadat ongeveer 14.000 kilometer met de auto was gereden. Er bestaat geen grond om deze normale kosten van onderhoud voor rekening van de ondernemer te brengen.   Bij een kilometerstand van 97.436 is de auto op 31 januari 2001 met een lekke koppakking ter reparatie aan de ondernemer aangeboden. De commissie is van oordeel dat een dergelijk gebrek bij een zes jaar oude auto met ongeveer 97.500 kilometer op de teller niet dermate ongebruikelijk is dat enkel en alleen al op grond van het feit dat het gebrek zich voordoet moet worden aangenomen dat de auto bij aankoop niet de eigenschappen heeft gehad die de koper op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. Er bestaat derhalve naar het oordeel van de commissie evenmin grond om de kosten van deze reparatie voor rekening van de ondernemer te brengen.   Op 26 februari 2001 is de auto vervolgens bij een kilometerstand van 100.602 ter reparatie aangeboden voor het plaatsen van een ruilmotor, omdat de oorspronkelijke motor was vastgelopen. De consument heeft geopperd dat deze reparatie noodzakelijk is geworden doordat de reparatie aan de koppakking niet juist is uitgevoerd. Uitgaande van de verklaringen, zoals ter zitting afgelegd, kan de commissie echter geen causaal verband vaststellen tussen de reparatie aan de koppakking en het vastlopen van de motor ten gevolge van het verlies van olie. Uit de verklaring van de ondernemer volgt dat deze naar omstandigheden voldoende heeft onderzocht of de lekke koppakking tot andere gebreken had geleid. Een onderzoek van de olie heeft geen aanleiding voor die veronderstelling gegeven. In een nalaten om de kop te vlakken kan ook – zonder nader technisch onderzoek aan de vervangen motor – geen grond worden gevonden voor het aannemen van een causaal verband als door de consument gesuggereerd, omdat blijkens de verklaring van de ondernemer de koppen zijn gecontroleerd en in orde zijn bevonden, zodat vlakken niet nodig was.   Het vastlopen van de motor kan meerdere oorzaken hebben, waaronder oorzaken die aan de consument verweten kunnen worden, zoals het te lang doorrijden met een auto die zichtbaar buitengewoon veel walmt of het negeren van waarschuwingssignalen. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, een oorzaak niet direct vastgesteld kan worden en niet kan worden uitgesloten dat de schade is ontstaan door een oorzaak die voor rekening van de consument komt, net zo min als overigens kan worden uitgesloten dat de schade is ontstaan door een oorzaak die voor rekening van de ondernemer behoort te komen, zoekt de commissie bij de beoordeling van de vraag voor wiens rekening de schade moet komen aansluiting bij het algemeen beginsel dat in het Nederlands vermogensrecht ten grondslag ligt aan het aansprakelijkheidsrecht. Uitgangspunt daarin is dat ieder in beginsel zijn of haar eigen schade dient te dragen, tenzij er gronden bestaan om een ander voor die schade aansprakelijk te houden.   Daar staat tegenover dat, wanneer de ondernemer zich beroept op omstandigheden die maken dat de consument gehouden is de eigen schade te dragen, terwijl er argumenten bestaan om het tegendeel aan te nemen, het aan de ondernemer is om die omstandigheden aan te voeren en, bij betwisting door de consument, ten minste aannemelijk te maken.   De commissie is van oordeel dat desalniettemin in het onderhavige geval twee argumenten bestaan om voorshands aan te nemen dat de consument de schade niet behoeft te dragen, althans niet volledig. In de eerste plaats is verdedigbaar dat de consument in beginsel van een auto met de leeftijd en het kilometrage als die van de onderhavige auto niet hoefde te verwachten dat de motor zou vastlopen door een gebrek aan smering, zeker niet nadat een maand daarvoor de koppakking was gerepareerd. Omdat op grond van de leeftijd en het aantal kilometers de consument nog mocht verwachten dat de motor niet zou vastlopen, is voorshands aannemelijk dat de auto bij aankoop niet de eigenschappen heeft bezeten die de consument daarvan mocht verwachten.   In de tweede plaats waren op de reparatie aan de koppakking blijkens de daarvan opgemaakte factuur de standaard BOVAG-bepalingen van toepassing, op grond waarvan de ondernemer de goede uitvoering van de door hem aangenomen of uitbestede werkzaamheden gedurende een periode van drie maanden garandeert (artikel 16, lid 1 BOVAG-voorwaarden). De commissie is van oordeel dat, indien zich binnen die garantietermijn een schade voordoet die mogelijk herleid kan worden tot een gebrekkige reparatie, de afgegeven garantie met zich meebrengt dat het aan de ondernemer is om feiten te stellen en, bij betwisting door de consument, aan te tonen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de schade is ontstaan door omstandigheden die aan de consument toegerekend moeten worden.   De commissie is van oordeel dat, nu de schade aan de motor zich heeft voorgedaan binnen de garantietermijn op de reparatie die voortvloeit uit de BOVAG-voorwaarden en niet kan worden uitgesloten dat een oorzaak voor het vastlopen is gelegen in een gebrekkig herstel van de koppakking (waaronder begrepen een onvoldoende onderzoek naar neveneffecten van de lekke koppakking), in het onderhavige geval de bewijslast omgekeerd dient te worden. Het is onder de gegeven omstandigheden niet aan de consument om aan te tonen dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de reparatie en het vastlopen van de motor, maar aan de ondernemer om te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken, dat het vastlopen van de motor is ontstaan door omstandigheden die maken dat de schade voor rekening van de consument dient te blijven.   De ondernemer is er naar het oordeel van de commissie niet in geslaagd om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken. Een onderzoek naar de oorzaak van het gebrek heeft kennelijk aan de vervangen motor niet plaatsgevonden. Een expertiserapport ter zake is in elk geval niet in het geding gebracht. In dat geval dient het risico van de schade op grond van de garantie op de reparatie aan de koppakking voor rekening van de ondernemer te blijven, met dien verstande dat bij het plaatsen van een ruilmotor mogelijk rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat daarin ook een voordeel kan zijn gelegen in de vorm van “nieuw voor oud”, zeker wanneer de vervangen motor al eerder een defect aan de koppakking heeft vertoond. In het onderhavige geval is echter zijdens de consument aangevoerd dat zij de auto recent heeft ingeruild, waarbij zij ƒ 14.000,= voor de auto heeft teruggekregen. Dat betekent dat zij, uitgaande van de kale aankoopprijs, in 18 maanden ruim ƒ 10.000,= op de auto heeft moeten afschrijven. Dat is naar het oordeel van de commissie dermate veel voor een auto die bij aankoop in juli 2000 vijf jaar oud was, dat in de praktijk is komen vast te staan dat de consument geen voordeel in de vorm van “nieuw voor oud” heeft genoten. Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals de ondernemer stelt, de consument bij brief van 28 februari 2001 akkoord is gegaan met reparatie door plaatsing van een ruilmotor tegen een te verwachten factuur van om en nabij ƒ 5.500,=. De commissie is van oordeel dat in een zaak als de onderhavige, waarin de consument voor haar vervoer op de desbetreffende auto is aangewezen en het alternatief bestaat uit de aankoop van een andere auto, met nog veel meer kosten als gevolg, de consument eigenlijk geen andere keuze kan maken dan opdracht te geven tot reparatie. Uit het feit dat de brief van 28 februari 2001 voor akkoord is ondertekend mag de ondernemer derhalve niet afleiden dat de consument daarmee afstand heeft willen doen van aanspraken op schadeloosstelling die haar toekomen.   Op grond van het voorgaande is de commissie dan ook van oordeel dat de kosten van het plaatsen van een ruilmotor volledig voor rekening van de ondernemer dienen te worden gebracht.   Voor zover de consument zich nog beklaagt over de kosten van reparaties die na een APK-keuring noodzakelijk bleken te zijn, gaat de commissie aan de klacht voorbij, omdat enerzijds niet is gebleken dat de consument deze reparaties daadwerkelijk heeft laten uitvoeren, terwijl anderzijds moet worden geoordeeld dat het blijkens de in het geding gebrachte prijsopgaaf d.d. 5 juni 2001 grotendeels gaat om onderhoud dat, gelet op het merk, bouwjaar en kilometrage, niet ongebruikelijk is voor een auto als die van de consument.   Nu de consument in elk geval deels in het gelijk wordt gesteld, dient de ondernemer haar het klachtgeld te vergoeden. Voorts is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelings-kosten van deze zaak verschuldigd.   Op grond van het voorgaande dient te worden beslist als na te melden.   Beslissing   De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 2.655,=, zijnde de tegenwaarde van ƒ 5.850,86. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.   Het meer of anders verlangde wordt afgewezen.    Aldus beslist door de Geschillencommissie Auto op 27 februari 2002.