Commissie: Energie
Categorie: Tariefbepalingen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: -
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1313736/1322137
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De Geschillencommissie Energie heeft geoordeeld dat de consument terecht aanspraak maakt op de vermindering energiebelasting. De ondernemer had deze vermindering niet toegepast op de jaarrekening over de periode 11 december 2023 tot 11 december 2024, omdat er volgens hem geen netto‑elektriciteitsverbruik was. De commissie volgt dit standpunt niet. De consument leverde aan dat hij zonnepanelen heeft in combinatie met een ferrarismeter, waardoor afname en teruglevering automatisch worden gesaldeerd. Volgens het Handboek Milieubelastingen van de Belastingdienst geldt dat bij saldering wél sprake is van levering, waardoor de vermindering energiebelasting moet worden toegepast. De commissie stelt vast dat de omstandigheden van de consument niet zijn veranderd en dat hij in eerdere jaren deze vermindering wél ontving. Ook vindt de commissie dat de ondernemer onvoldoende uitleg heeft gegeven en zich te eenvoudig heeft beroepen op interne controles. Daarom verklaart de commissie de klacht gegrond. De ondernemer moet alsnog € 521,81 aan vermindering energiebelasting verwerken op de jaarrekening en het depotbedrag van € 511,62 komt toe aan de consument. Daarnaast moet de ondernemer € 52,50 klachtengeld vergoeden. De uitspraak is gedaan op 9 februari 2026.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument beroept zich terecht op artikel 63 van de Wet belastingen op milieugrondslag, zodat hij in aanmerking komt voor vermindering van energiebelasting.
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 1 oktober 2015 met de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van gas en elektra gedurende de periode
11 december 2023 tot 11 december 2024 voor de som van € 1.619,30.
De consument heeft de klacht eerst voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer opereerde eerst onder [ondernemingsnaam].
Eind 2023 is de ondernemer van toeleverancier veranderd en dat houdt in dat ik met ongeveer hetzelfde verbruik aan gas en licht € 800,- meer moest gaan betalen. De eindafrekening van 11 december 2023 tot 11 december 2024 geeft aan dat ik in totaal een bedrag van € 1.619,30 moet betalen, terwijl aan voorschotbedragen in totaal € 1.192,68 is voldaan. Mijn oude voorschotbedrag bedroeg € 99,39 per maand en dat is nu geworden € 146,96. Ik heb verschillende malen gevraagd of de ondernemer een duidelijke uiteenzetting van wilde geven en dat is vijf keer beloofd maar ze doen/kunnen dat niet. Het enige wat ik hoor is dat de eindafrekening klopt.
Het is moeilijk om een goed inzicht te krijgen in de door de ondernemer verstrekte overzichten. Ik denk dat het verschil van € 800,- met name zit in het ontbreken van de vermindering energiebelasting op de recente eindafrekening, terwijl deze in eerdere jaren wél is toegepast. Mijn situatie is in die periode niet gewijzigd. Ik heb bovendien aantoonbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat ik in voorgaande jaren de vermindering energiebelasting heb ontvangen.
De ondernemer stelt dat dit is gebaseerd op artikel 63 van de Wet belastingen op milieugrondslag. Naar mijn mening is dit artikel in mijn situatie niet van toepassing op de wijze zoals de ondernemer het interpreteert. Ik beschik over zonnepanelen in combinatie met een ferrarismeter. Deze meter registreert zowel afname als teruglevering en saldeert deze automatisch. Dat betekent dat er wel degelijk sprake is van afname van elektriciteit, ook wanneer het nettoverbruik op jaarbasis op nul uitkomt. Dat is een bekend en legaal mechanisme binnen de huidige regelgeving. De ferrarismeter is bovendien nog steeds wettelijk toegestaan en wordt pas in 2026 vervangen. Het ontbreken van een geregistreerd nettoverbruik betekent dus niet dat er geen energiebelasting verschuldigd zou zijn geweest.
Verder heeft mijn woning een verblijfsfunctie, wat recht geeft op de vermindering energiebelasting. Dat recht vervalt niet door de aanwezigheid van zonnepanelen, noch door het gebruik van een ferrarismeter.
Ook wil ik benadrukken dat deze situatie is ontstaan nadat de ondernemer eind 2024 is overgegaan naar een andere energieleverancier. Voor die tijd werd de vermindering energiebelasting wél toegepast, ondanks exact dezelfde omstandigheden. Dat onderstreept dat er geen sprake is van een wijziging aan mijn kant, maar van een wijziging in de wijze waarop [energieleverancier] de regelgeving interpreteert of toepast.
Ik verzoek de commissie daarom nadrukkelijk om te beoordelen of de ondernemer de vermindering energiebelasting terecht heeft geweigerd, gezien de aangeleverde bewijsstukken, de feitelijke situatie en de wettelijke context
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De eindafrekening waarop de klacht betrekking heeft is meermalen intern gecontroleerd. Daarbij is vastgesteld dat de factuur is gebaseerd op de door de klant zelf aangeleverde meterstanden en op de geldende tarieven voor energie, belastingen en netbeheer. Er zijn hierbij geen onjuistheden geconstateerd.
Wij constateren dat de consument in zijn communicatie structureel verwijst naar een “te hoog bedrag”, zonder concreet aan te geven welk onderdeel van de factuur volgens hem onjuist zou zijn. Ondanks herhaalde verzoeken om dit te specificeren.
Voor zover de klacht ziet op de hoogte van de netbeheerkosten, merken wij nadrukkelijk op dat deze kosten niet door ons worden vastgesteld, maar door de regionale netbeheerder. Als energieleverancier zijn wij wettelijk verplicht deze kosten één-op-één door te belasten. Wij hebben hier geen invloed op, noch beleidsvrijheid. Indien de consument van mening is dat de netbeheerkosten onjuist of buitensporig hoog zijn, kan hij zich rechtstreeks wenden tot zijn netbeheerder. Indien daaruit blijkt dat een correctie noodzakelijk is, zullen wij deze vanzelfsprekend en met alle bereidheid verwerken.
Daarnaast is de klacht deels gebaseerd op de toepassing van belastingen en heffingskorting. In dit verband is de consument reeds geïnformeerd dat in het betreffende jaar geen netto elektriciteitsverbruik heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 63 van de Wet belastingen op milieugrondslag kan de vermindering energiebelasting uitsluitend worden toegepast indien er daadwerkelijk energiebelasting verschuldigd is. Bij het ontbreken van verbruik ontbreekt ook de grondslag voor verrekening van de vermindering. Dit is wettelijk bepaald en laat geen ruimte voor interpretatie door de leverancier.
Tot slot merken wij op dat wij gedurende het gehele traject bereikbaar zijn geweest en inhoudelijk hebben gereageerd. Dat de consument desalniettemin heeft besloten betalingen op te schorten, kan niet worden gerechtvaardigd op basis van de tot op heden aangevoerde argumenten.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De consument heeft over de periode 4 juli 2022 – 28 juni 2023 een op 11 juli 2023 gedateerde jaarrekening ontvangen. Op die jaarrekening is een post vermeld: vermindering energiebelasting € 659,50.
Op de jaarrekening over de periode 11 december 2023 tot 11 december 2024 d.d. 31 december 2024, welke de aanleiding vormt voor dit geschil, is een totaalbedrag voor overheidsheffingen op stroom en gas van € 376,89 opgenomen, maar niet een post vermindering energiebelasting.
De jaarrekening houdt in dat de consument -270 kWh heeft verbruikt.
De ondernemer beroept zich op artikel 63 van de Wet belastingen op milieugrondslag en stelt dat de vermindering energiebelasting uitsluitend kan worden toegepast indien er daadwerkelijk energiebelasting verschuldigd is. Bij het ontbreken van verbruik ontbreekt volgens de ondernemer ook de grondslag voor verrekening van de vermindering omdat dit wettelijk is bepaald en geen ruimte laat voor interpretatie door de leverancier.
De commissie volgt de ondernemer niet in dit betoog. Allereerst kan worden geconstateerd dat de consument wel degelijk een bedrag aan de ondernemer verschuldigd is in verband met de afname van gas en elektra. Verder heeft de ondernemer de consument onvoldoende duidelijkheid verschaft met de opmerking dat de eindafrekening waarop de klacht betrekking heeft meermalen intern is gecontroleerd. Het had op de weg van de ondernemer gelegen om nu de consument er op wees dat zijn omstandigheden gelijk gebleven waren het standpunt van de consument uitgebreider te becommentariëren.
Tot slot -en dat is de belangrijkste reden om het betoog van de ondernemer niet te volgen- wijst de commissie op paragraaf 7.9 van het door de belastingdienst uitgegeven Handboek Milieubelastingen. Daarin is vermeld: `De belastingvermindering kan alleen worden toegepast als er sprake is van levering. Indien er gedurende de verbruiksperiode geen levering heeft plaatsgevonden en er dus geen (gemeten) verbruik is geweest, kan de belastingvermindering niet worden toegepast. Dit laatste geldt niet wanneer de geleverde elektriciteit wordt gesaldeerd met terug geleverde elektriciteit (zie 7.4.2.). In dat geval is er wel sprake van levering van elektriciteit en kan de belastingvermindering worden toegepast.’
De commissie is derhalve van oordeel dat de klacht gegrond is en dat het depotbedrag aan de consument toekomt.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie gelast de ondernemer binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies op de jaarrekening van de consument over de periode 11 december 2023 tot 11 december 2024 alsnog een bedrag van € 521,81 ter zake van mindering energiebelasting in mindering te brengen.
Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Het in depot gestorte bedrag van € 511,62 komt toe aan de consument.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer prof. mr. A.W. Jongbloed, voorzitter, de heer R.A. Timmer, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 9 februari 2026.