Eindnota moet worden gecorrigeerd wegens onduidelijke en onjuiste salderingsafspraken

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarrekening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1327812/1333896

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De commissie verklaart de klacht van de consument gegrond, omdat de ondernemer niet heeft kunnen aantonen welke afspraken met de consument zijn gemaakt over de wijze van salderen bij het dynamische contract. De consument kreeg een eindnota van € 2.933,63, terwijl hij op basis van telefonische informatie van de ondernemer een teruggave van ongeveer € 2.000,- verwachtte. De commissie stelt vast dat de ondernemer geen contractstukken heeft overgelegd waaruit ondubbelzinnig blijkt dat partijen uurbasis‑saldering zijn overeengekomen. Ook is niet gebleken dat de consument wist of moest weten dat saldering niet op jaarbasis zou plaatsvinden. De ondernemer heeft bovendien niet betwist dat medewerkers bedragen hebben genoemd die bij jaarbasis‑saldering passen. De commissie volgt haar vaste lijn dat op grond van artikel 31c Elektriciteitswet (tot 1 januari 2026) saldering op jaarbasis moet plaatsvinden, tenzij volledig transparant en aantoonbaar anders is afgesproken. Dat is hier niet het geval. Daarom moet de ondernemer de eindnota corrigeren en de netto teruglevering verrekenen tegen het gemiddelde leveringstarief van € 0,12469 per kWh, zoals ook volgt uit het arrest van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (ECLI:GHARL:2025:7500). De ondernemer moet binnen vier weken een nieuwe factuur sturen en het klachtengeld van € 52,50 vergoeden.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de eindnota van 12 december 2025, meer in het bijzonder de hoogte van het bij te betalen bedrag van € 2.933,63.

De consument heeft de klacht op 12 december 2025 bij de ondernemer ingediend.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De eindafrekening viel veel hoger uit dan op grond van het contract werd verwacht. Dat geldt ook voor het te ontvangen bedrag wegens de teruglevering van stroom. Tijdens contacten met de ondernemer werd aangegeven dat de consument ongeveer een bedrag van € 2.000,- zou terugkrijgen wegens de door hem geleverde stroom. Ook de hoogte van het voorschot was steeds actueel. In het nieuwe contract voorstel werd dat zelfs verlaagd van € 449,- naar € 436,-. De eindafrekening is buitenproportioneel en de informatie is misleidend geweest.

Gelet op de vanuit de ondernemer gewekte verwachting van een teruggave van € 1.500,- à € 2.000,- en de verwachting van de consument zelf is het alleszins redelijk om op de naheffing een bedrag van € 1750,- in mindering te brengen.

Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.

De consument heeft met een dame van de ondernemer gesproken die aangaf dat hij een bedrag van ongeveer € 2.000,- zou kunnen terugkrijgen. De consument dacht dat hij goed zat, maar is inmiddels overgestapt. In het contract heeft de consument niets kunnen vinden over de wijze van salderen zoals dat door de ondernemer is gedaan. Als hij had geweten hoe men saldeert had hij nooit een contract getekend. De vaste leveringskosten staan niet in het contract. De consument heeft vaak gebeld maar nooit gehoord hoe men saldeert.

De consument kan niet nagaan wanneer hij de contracten heeft ontvangen. Hij weet niet of dat inderdaad op 10 oktober 2024 is gedaan. Hij kon niet opslaan. Hij kon de stukken inzien via een link op de website.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een dynamisch contract, waarbij de prijs per kWh afhankelijk is van het moment van afname. Het gemiddeld tarief over de contractperiode bedraagt € 0,12469 per kWh. Anders dan de consument veronderstelt is bij een dynamisch contract geen sprake van een vast bedrag voor de teruglevering. De teruglevering verschilt per uur en is afhankelijk van de geldende marktprijzen ten tijde van de teruglevering. Het is niet mogelijk om vooraf vaste bedragen of een totaalbedrag te garanderen.

Uit de meetgegevens blijkt dat sprake is van netto teruglevering. Dit betekent dat er geen energiebelasting, (EB), in rekening is gebracht. De vermindering van EB betreft een door de overheid vastgesteld bedrag dat op de factuur exclusief BTW wordt weergegeven.

In het geval van de consument heeft een aanzienlijk deel van de teruglevering plaatsgevonden op momenten met lage of zelfs negatieve prijzen.

Daarnaast is gebleken dat het stroomverbruik hoger is geweest dan bij het aangaan van het contract werd ingeschat. Het gehanteerde termijnbedrag is gedurende de looptijd niet aangepast en daardoor onvoldoende gebleken om de werkelijke kosten te dekken. Het wijzigen van het termijnbedrag is niet de verantwoordelijkheid van de ondernemer.

Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.

Het contract is van 2 jaar geleden. Nu staan op de website andere voorwaarden. De consument had toegang tot de voorwaarden. Het contract is op 10 oktober 2024 aan de consument gestuurd. Ook het herroepingsformulier. De wijze van salderen staat in de aanvullende (product-)voorwaarden. Bij stroom wordt per uur gesaldeerd.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In deze zaak klaagt de consument over de hoogte van de eindnota van 12 december 2025. De hoogte van de bijbetaling van € 2.933,63 is niet in lijn met de door de ondernemer bij hem gewekte verwachtingen.

De ondernemer voert verweer.

Uit de stukken en uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht is de commissie gebleken dat het geschil zich toespitst over de door de ondernemer toegepaste wijze van salderen, nu dit, naast het hogere stroomverbruik, de voornaamste reden lijkt te zijn voor de hoogte van de naheffing.

De commissie heeft niet meer kunnen vaststellen welke afspraken partijen precies hebben gemaakt over de wijze van salderen. De ondernemer heeft geen stukken overgelegd waarin ondubbelzinnig blijkt van de tussen partijen overeengekomen wijze van salderen. Ook is niet gebleken dat de consument ervan op de hoogte moest zijn dat salderen op uurbasis zou plaatsvinden en niet- zoals gebruikelijk – op jaarbasis. De ondernemer heeft ook niet betwist dat er door zijn medewerkers telefonisch bedragen zijn genoemd, zoals door de consument is gesteld, over de te verwachten bedragen wegens de teruglevering van stroom door de consument.

Aldus is niet komen vast te staan dat de consument voldoende is geïnformeerd over de vaste terugleverkosten en variabele terugleververgoedingen en de ondernemer niet heeft kunnen aantonen welke afspraken op dit punt met de consument zijn gemaakt. Een beroep op aanvullende voorwaarden die niet zijn overgelegd en waarvan niet is komen vast te staan dat en wanneer zij ter hand zijn gesteld of anderszins toepasselijk zijn geworden kan de ondernemer niet baten.

Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de eindnota aan de daaraan te stellen eisen voldoet, nu, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden aanvaard dat de saldering op uurbasis in plaats van op jaarbasis dient plaats te vinden.

De commissie is van oordeel, zoals in haar eerdere beslissingen in soortgelijke gevallen is overwogen, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest en een redelijke uitleg van artikel 31 c van de tot 1 januari 2026 geldende Elektriciteitswet meebrengt, dat op jaarbasis wordt gesaldeerd en zij zal die lijn ook in deze zaak volgen.

De commissie wijst in dit verband ook op het arrest van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2025, ecli:GHARL:2025:7500, waarin is overwogen dat ook in geval van een dynamisch energiecontract de ondernemer – in beginsel – verplicht om op jaarbasis te salderen aan de hand van een gewogen gemiddelde prijs welke in de betreffende periode per kWh door de ondernemer in rekening is gebracht.

De rechtsgeldigheid van een zogenoemd dynamisch contract, waarbij saldering op andere wijze, meestal over een kortere periode dan een jaar, plaatsvindt, sluit de wetgever weliswaar niet uit, maar hiervan kan naar het oordeel van de commissie slechts sprake zijn indien voor beide contractspartijen ondubbelzinnig vaststaat, volkomen transparant is en aantoonbaar voor de commissie, dat een dergelijk contract gesloten is. Hiervan is de commissie in dit geval onvoldoende overtuigd.

Blijkens de opgave van de ondernemer bedroeg het leveringstarief over de afrekenperiode gemiddeld € 0,12469 exclusief BTW. Aangezien het leveringstarief bij dit dynamische contract gelijk is aan het door het bedrijf gehanteerde teruglever-tarief, ligt het in de rede ook tegen dit tarief het terugleversaldo met de consument te verrekenen, zodat de netto teruglevering tegen dat tarief dient te worden afgerekend en vergoed.

De ondernemer dient aldus een correctiefactuur op te stellen waaruit een en ander duidelijk blijkt en deze aan de consument toe te sturen.

Op grond van het bovenstaande is de klacht gegrond.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De ondernemer corrigeert de eindnota van 12 december 2025 als hiervoor is overwogen. Dit dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies.

Bovendien is de ondernemer gehouden aan de consument het door hem betaalde klachtengeld van € 52,50 te vergoeden en voorts zal aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie aan de ondernemer een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mr. W.N. Kip en mr. L. Schots-Smit, leden, op 22 juni 2026.

Opslaan als PDF