Commissie: Notariaat
Categorie: Informatie
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1313734/1321416
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
Deze zaak gaat over huwelijksvoorwaarden die in 2005 zijn opgesteld door de voorganger van de notaris. Na het overlijden van haar echtgenoot ontdekte klaagster dat in de akte een bepaling stond waarin was vastgelegd dat een financiële verrekening bij overlijden niet zou plaatsvinden als er geen gezamenlijke kinderen waren. Volgens klaagster was dit nooit de bedoeling geweest en uit de onderliggende stukken bleek volgens haar dat sprake was van een fout. Zij wilde dat de notaris deze bepaling zou aanpassen en vroeg daarnaast een vergoeding van haar schade, waaronder advocaatkosten. De notaris erkende dat de bepaling waarschijnlijk niet overeenkwam met de bedoeling van de echtgenoten, maar stelde dat deze fout niet via een eenvoudige rectificatie kon worden hersteld, omdat dit zou leiden tot een ander rechtsgevolg van de akte. De Geschillencommissie oordeelde dat de omstreden bepaling inderdaad niet overeenkwam met wat de echtgenoten hadden bedoeld. Toch kon de akte volgens de wet niet worden gerectificeerd. De commissie vond het daarom redelijk dat de notaris een andere oplossing had aangeboden, namelijk het kosteloos opstellen van een nieuw testament waarin de kinderen van beide echtgenoten gelijk worden behandeld en het vergoeden van de advocaatkosten van € 2.662,-. De klacht werd gegrond verklaard en de commissie bepaalde dat de notaris dit aanbod moet uitvoeren. Daarnaast moet de notaris het klachtengeld van € 52,50 aan klaagster vergoeden en de behandelingskosten van de commissie betalen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de door de voorganger van de notaris opgestelde en gepasseerde huwelijksvoorwaarden.
Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
In 2005 heeft de voorganger van de notaris ten behoeve van klaagster en wijlen haar echtgenoot (hierna te noemen: de man) huwelijksvoorwaarden opgemaakt en gepasseerd. Na het overlijden van de man heeft eind 2024 de notaris in de nieuwe woonplaats van klaagster een kennelijke misslag geconstateerd; in artikel 11, lid 6 is ten onrechte bepaald dat de toepassing van het finaal verrekenbeding bij overlijden achterwege blijft als klaagster en de man geen gezamenlijke nakomeling(en) zouden hebben. Dit is echter nimmer aan de orde geweest.
De betreffende notaris is zonder succes bezig geweest dit door de notaris te laten herstellen. Eerst na zware druk op de notaris heeft klaagster begin september 2025 de onderliggende stukken bij deze akte en de testamenten gekregen. Ook hieruit blijkt dat het om een misslag gaat. Klaagster heeft de notaris vervolgens per brief gesommeerd dit binnen drie weken te herstellen. Een reactie is wederom uitgebleven.
Klaagster verzoekt de commissie te bepalen dat de notaris (artikel 11 lid 6 van) de huwelijksvoorwaarden van mei 2025 moet aanpassen. Voorts verzoekt zij de commissie in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen voor de schade die zij door toedoen van de notaris heeft geleden (onder meer: advocaatkosten ten bedrage van € 2.662,-).
Standpunt van de notaris
Voor het standpunt van de notaris verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De voorganger van de notaris heeft een akte huwelijksvoorwaarden getekend met daarin een bepaling die onjuist lijkt te zijn. Aan de notaris is gevraagd die bepaling aan te passen door een akte kennelijke misslag op te stellen, met als doel dat het finaal verrekenbeding bij overlijden uitgevoerd kan worden. Die verrekening ziet – zo is de notaris inmiddels duidelijk geworden – op gelijke behandeling van de kinderen van klaagster en de man.
De notaris is in beginsel bereid mee te werken aan een voor klaagster passende oplossing (rectificatie van de akte), indien sprake is van een kennelijke misslag in de huwelijksvoorwaarden uit 2005. Dit kan het geval zijn bij een schrijf-, typ- of rekenfout. Iets is geen kennelijke misslag als een clausule onduidelijk is, of als de partijbedoelingen nodig zijn om een bepaling te vatten. Of als in een akte een onjuiste maar wel bewuste juridische keuze wordt gemaakt. Of als je samenhang met anderen akten nodig hebt om te snappen of een bepaling wel of niet zo bedoeld kan zijn.
Door het wel of niet opnemen van het gewraakte lid 6 verandert de uitkomst wel degelijk ten opzichte van voorwaarden zonder lid 6. Een rectificatie is daarom niet aan de orde.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie stelt vast dat in artikel 11 van de huwelijksvoorwaarden uit 2005 – voor zover van belang – het volgende is bepaald:
“AFREKENING BIJ HET EINDE VAN HET HUWELIJK:
1. Bij ontbinding van het huwelijk door (…) overlijden (…) wordt tussen de (…) langstlevende echtgenoot en de erfgenamen van de overleden echtgenoot afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd.
2. (…)
3. Ten behoeve van deze afrekening zal een beschrijving worden opgemaakt van het in de afrekening betrokken vermogen van ieder van de echtgenoten.
De beschrijving zal plaatshebben naar de toestand en waarde ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door overlijden (…).
4. (…)
5. (…)
6. De afrekening na overlijden blijft achterwege indien de echtgenoten geen gezamenlijke afstammelingen hebben.”
Tussen partijen is niet langer in geschil dat lid 6 niet overeenkomstig de bedoeling van klaagster en de man is. Ook de commissie komt het voor dat klaagster en de man deze bepaling niet hebben gewild, nu klaagster ten tijde van het passeren van de huwelijksvoorwaarden 48 jaar was en het dus zeer onwaarschijnlijk was dat klaagster en de man nog gezamenlijke afstammelingen zouden krijgen. De notaris heeft ter zitting benadrukt dat hij bereid is zijn medewerking te verlenen aan een oplossing. Deze kan echter niet worden bereikt door middel van een rectificatie van de akte. Immers, artikel 45, lid 2 van de Wet op het notarisambt verzet zich daartegen; er mag geen rectificatie plaatsvinden als het herstel zou leiden tot een ander rechtsgevolg van de akte. Dat zou hier het geval zijn.
De notaris heeft aangeboden om kosteloos een (nieuw) testament voor klaagster te maken waarin aan zowel de kinderen van klaagster als de kinderen van de man gelijke legaten worden toegekend. De notaris heeft voorts aangeboden om klaagster de door haar gemaakte advocaatkosten van € 2.662,- te vergoeden.
De commissie is van oordeel dat het aanbod van de notaris alleszins redelijk is. Zij zal bepalen dat de notaris is gehouden te handelen overeenkomstig zijn aanbod. Nu dit aanbod is gedaan nadat het geschil bij de commissie aanhangig is gemaakt, zal de commissie de klacht gegrond verklaren.
Klachtengeld
De commissie is van oordeel dat het door klaagster betaalde klachtengeld voor rekening van de notaris dient te komen, nu de klacht van de klager gegrond wordt verklaard.
Behandelingskosten
De commissie bepaalt op grond van artikel 23 van het reglement van de commissie dat de notaris behandelingskosten aan de commissie verschuldigd is.
Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van klaagster gegrond;
– bepaalt dat de notaris gehouden is te handelen overeenkomstig zijn aanbod; de notaris dient kosteloos een (nieuw) testament voor klaagster op te stellen en te passeren en dient klaagster een bedrag van € 2.662,- te vergoeden;
– bepaalt dat de notaris aan klaagster het door haar betaalde klachtengeld van € 52,50 vergoedt;
– bepaalt dat de notaris een door de Stichting De Geschillencommissie vastgesteld bedrag aan behandelingskosten is verschuldigd;
– wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Notariaat, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. M. de Waal en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 24 augustus 2026.