Gedeeltelijk gegronde klacht over aanpak van pestmeldingen op de BSO

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1321045/1336575

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Het geschil gaat over de vraag of een kinderopvang (BSO) goed heeft gehandeld bij meldingen van pesten en geweld tegen de zesjarige dochter van de consument. De consument zegt dat zijn dochter meer dan een jaar is gepest en mishandeld door een andere jongen, en dat de opvang dit niet serieus genoeg heeft genomen. Volgens hem heeft dit geleid tot angstklachten bij zijn dochter. De ondernemer (de opvang) stelt dat signalen wel zijn onderzocht en dat er geen bewijs is gevonden voor structureel pesten. Ook wijst de ondernemer op een onderzoek van de GGD, waaruit blijkt dat de opvang voldoet aan de regels. De commissie oordeelt dat niet is bewezen dat er langdurig en ernstig pestgedrag was zoals de consument stelt. Wel vindt de commissie het aannemelijk dat de ouder al eerder zorgen heeft gemeld dan de opvang zegt. De opvang had deze mondelinge meldingen beter moeten vastleggen en opvolgen volgens het eigen protocol. Op dat punt heeft de ondernemer dus niet zorgvuldig gehandeld. Daarom is de klacht gedeeltelijk gegrond. Wel vindt de commissie dat de opvang vanaf augustus 2025 wel actie heeft genomen en dat er geen bewijs is dat de opvang structureel onveilig is geweest of haar zorgplicht heeft geschonden. De maatregelen die de consument vraagt, zoals het overplaatsen van het andere kind of sancties tegen medewerkers, kan de commissie niet opleggen. De opvang moet wel €25 klachtengeld aan de consument betalen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de wijze waarop de ondernemer is omgegaan met het gestelde structureel pesten, bedreigen en mishandelen van de zesjarige dochter van de consument door een jongen op de BSO van de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De consument stelt dat zijn dochter gedurende ruim een jaar lichamelijk, psychisch en emotioneel is lastiggevallen door een jongen op de BSO. Dit uit zich in bedreigingen, vernederingen en fysiek geweld, zoals duwen, schoppen, slaan en intimiderende uitspraken. De situatie zou hebben geleid tot ernstige angst- en stressklachten bij zijn dochter, waaronder nachtmerries, bedplassen, angst om naar school of de BSO te gaan en verlies van zelfvertrouwen. De consument stelt dat hij herhaaldelijk melding heeft gedaan bij medewerkers en directie van de BSO, maar dat onvoldoende is ingegrepen en signalen zijn genegeerd. Ook verwijt hij de ondernemer een onveilige omgeving, onvoldoende bescherming van zijn dochter en een onzorgvuldige behandeling van zijn klachten.
Daarnaast ontstond een conflict tussen de moeder van zijn dochter en de moeder van de jongen die zijn dochter pest, waarbij door medewerkers van de ondernemer niet adequaat is opgetreden. De consument heeft inmiddels een officiële klacht ingediend, melding gedaan bij de GGD en aangifte bij de politie wegens kindermishandeling. Hij meent dat de ondernemer tekortschiet in zijn wettelijke zorgplicht op grond van de Wet kinderopvang.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De ondernemer voert aan dat signalen over mogelijk pestgedrag en onveiligheid serieus zijn genomen en zorgvuldig zijn onderzocht. Er zijn gesprekken gevoerd met betrokken kinderen en ouders, extra observaties uitgevoerd en is de pedagogisch coach betrokken. Uit observaties, interne registraties en verklaringen van medewerkers is geen sprake gebleken van structureel pestgedrag of sociale onveiligheid richting het kind van de consument. Daarnaast wijst de ondernemer op een onafhankelijk onderzoek van de GGD West-Brabant. De GGD concludeerde dat de opvang voldoet aan de wettelijke eisen en handelt conform het pedagogisch beleid. Er zijn geen overtredingen of tekortkomingen vastgesteld.
Medewerkers hebben volgens protocol gehandeld door signalen te bespreken, gedrag te monitoren en ouders te informeren. Incidenten tussen kinderen zijn passend binnen de normale groepsdynamiek van een buitenschoolse opvang en zijn direct gecorrigeerd wanneer nodig. De ondernemer erkent dat de consument en zijn kind gevoelens van onveiligheid hebben ervaren en dat de communicatie in de loop van het traject onder druk is komen te staan. Er is echter geen structureel onveilige situatie vastgesteld.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht het volgende overwogen.

De commissie stelt voorop dat op een ondernemer in de kinderopvang een zorgplicht rust om zorg te dragen voor een veilige pedagogische omgeving voor kinderen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. Van een ondernemer mag worden verwacht dat signalen van pestgedrag, sociale onveiligheid of grensoverschrijdend gedrag serieus worden genomen, zorgvuldig worden geregistreerd en overeenkomstig het geldende beleid en protocol worden opgevolgd.

Het geschil betreft de vraag of de ondernemer zich voldoende heeft ingespannen om de veiligheid van de dochter van de ondernemer gedurende haar verblijf bij de ondernemer te waarborgen en of de ondernemer adequaat heeft gehandeld naar aanleiding van meldingen van pestgedrag.

De consument stelt dat reeds vanaf medio 2024 sprake was van structurele pesterijen en grensoverschrijdend gedrag jegens zijn dochter. Volgens de consument zijn hiervan meerdere mondelinge meldingen gedaan bij verschillende medewerkers van de ondernemer. De ondernemer heeft aangevoerd dat op 22 augustus 2025 voor het eerst melding is gemaakt van pestgedrag naar aanleiding van een incident tijdens een uitstapje naar een pannenkoekenhuis en dat de officiële klacht dateert van
31 oktober 2025.

De commissie stelt vast dat niet is komen vast te staan dat gedurende de gehele door de consument genoemde periode sprake is geweest van structureel pestgedrag zoals door hen omschreven.
De commissie acht wel aannemelijk dat de consument reeds vóór augustus 2025 bij medewerkers melding heeft gemaakt van zorgen over pesterijen. De consument heeft concreet benoemd bij welke medewerkers deze meldingen zouden zijn gedaan. De ondernemer heeft dit niet gemotiveerd weersproken, maar slechts aangegeven dat deze meldingen niet bekend waren bij de ter zitting aanwezige vertegenwoordigers.
Dat er geen registraties van eerdere meldingen bij de ondernemer bekend zijn, wil daarom niet zeggen dat er geen eerdere meldingen zijn gedaan. Naar het oordeel van de commissie had het op de weg van de ondernemer gelegen om dergelijke signalen – ook wanneer deze mondeling worden gedaan – overeenkomstig het eigen protocol vast te leggen, intern te bespreken en actief op te volgen. Juist bij signalen over mogelijke sociale onveiligheid van een kind mag van een professionele kinderopvangorganisatie worden verwacht dat meldingen zorgvuldig worden gedocumenteerd en dat inzichtelijk is welke acties naar aanleiding daarvan zijn ondernomen. De ondernemer is daarin tekortgeschoten. In zoverre is de klacht gegrond.

De commissie stelt voorts vast dat nadat in augustus 2025 concreet melding was gemaakt van pestgedrag, de ondernemer wel actie heeft ondernomen. Er hebben gesprekken plaatsgevonden met betrokken kinderen en ouders, er zijn observaties uitgevoerd, de pedagogisch coach is betrokken en de situatie is gemonitord. De commissie acht aannemelijk dat de ondernemer vanaf dat moment actief heeft geprobeerd de groepsdynamiek te begeleiden en verdere escalatie te voorkomen. Verder acht de commissie van belang dat uit het onafhankelijke onderzoek van de GGD niet is gebleken van overtredingen van de Wet kinderopvang of van structurele sociale onveiligheid binnen de groep. Ook uit observaties van medewerkers en de pedagogisch coach zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor een structureel patroon van pesterijen richting de dochter van de consument.

De commissie acht verder van belang dat de communicatie tussen partijen in de loop van het traject ernstig onder druk is komen te staan. Daarbij heeft zich tevens een incident voorgedaan tussen beide moeders op de locatie van de ondernemer. De commissie begrijpt dat dit de situatie verder heeft bemoeilijkt.
De door de consument verzochte maatregelen die de commissie de ondernemer bij een gegrondverklaring zou moeten opleggen, waaronder overplaatsing van een ander kind, het aanspreken van individuele medewerkers op hun functioneren en het treffen van specifieke organisatorische maatregelen, vallen buiten de bevoegdheid van de commissie. De commissie kan dergelijke maatregelen op grond van het Reglement niet opleggen. De commissie acht het positief dat de ondernemer ter zitting heeft aangegeven nog steeds bereid te zijn het gesprek met de consument aan te gaan en te zoeken naar mogelijkheden om de opvang van zijn dochter te hervatten in een voor alle betrokkenen veilige situatie. De commissie spreekt de hoop uit dat partijen, eventueel met ondersteuning van een onafhankelijke derde, alsnog met elkaar in gesprek kunnen komen om het vertrouwen te herstellen en verdere escalatie te voorkomen.

Gelet op de bovenstaande komt de commissie tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.
De ondernemer heeft onvoldoende zorgvuldig gehandeld door eerdere mondelinge meldingen van de consument over pestgedrag niet overeenkomstig het eigen protocol te registreren en opvolgbaar vast te leggen. Voor het overige is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van structureel pestgedrag of dat de ondernemer tekort is geschoten in de algemene pedagogische veiligheid en wettelijke zorgplicht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst af de verzoeken van de consument terzake het nemen van maatregelen tegen het betreffende kind door hem naar een andere opvang over te plaatsen en het aanspreken van medewerkers op hun professionaliteit/gedrag.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer Y. Dragstra, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 8 mei 2026.

Opslaan als PDF