Commissie: Kinderopvang
Categorie: (On)zorgvuldigheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1324282/1335811
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Het geschil gaat over twee vragen: of de ondernemer terecht heeft besloten dat de consument geen gebruik meer mocht maken van het oude opvangcontract dat op naam van zijn ex-partner stond, en of de consument recht heeft op inzicht in wanneer zijn zoon bij de opvang aanwezig is. De consument vindt dat hij benadeeld wordt, omdat hij eerder wel opvanguren kon aanvragen en nu niet meer, terwijl beide ouders gezag hebben. Ook wil hij kunnen zien wanneer zijn kind bij de opvang is, ook in de weken dat het kind bij de moeder verblijft. De ondernemer stelt dat alleen de contractouder (de moeder) opvanguren mag aanvragen en dat het delen van de volledige agenda niet mag vanwege privacyregels. De commissie oordeelt dat de ondernemer gelijk heeft wat betreft het contract: omdat het contract op naam van de moeder stond, mocht de ondernemer haar beslissing volgen en van de consument verlangen dat hij een eigen contract afsluit. Wel vindt de commissie dat de consument als ouder met gezag recht heeft op basisinformatie over wanneer zijn kind op de opvang is. Deze informatie mag worden gedeeld zonder de privacy van de moeder te schenden. Daarom is de klacht gedeeltelijk gegrond. De ondernemer moet de consument informeren over de opvangdagen van zijn zoon en €25 klachtengeld vergoeden.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het niet langer gebruik kunnen maken door de consument van de bestaande overeenkomst tussen de ondernemer en de ex-partner van de consument en het niet langer kunnen inzien van de agenda betreffende de aanwezigheid van de zoon van de consument bij de ondernemer sinds het afsluiten van een nieuwe overeenkomst door de consument met de ondernemer.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De consument heeft samen met zijn ex-partner jarenlang een flexcontract bij de ondernemer gehad voor de opvang van zijn kind. Drie jaar geleden zijn hij en zijn partner uit elkaar gegaan, maar hebben het contract aangehouden en samen betaald, samen uren aangevraagd en samen de zorgtaak verdeeld. Er is geen ouderschapsplan. Vorig jaar heeft de ex-partner laten weten, dat de consument geen uren meer mag aanvragen, omdat zij contractant is. Ze cancelde de door de consument aangevraagde uren en eiste dat hij een apart contract afsloot. De ondernemer heeft haar hierin gevolgd en aangegeven dat de consument geen uren meer mag aanvragen. De ondernemer verwijst hierbij naar artikel 3 van aanvullende voorwaarden.
De consument is het hier fundamenteel mee oneens omdat dit afbreuk doet aan gelijkwaardigheid tussen ouders die beiden het gezag hebben. Daarnaast staat dit verschil of “alleenrecht” ook nergens vermeld in de voorwaarden. Sterker nog, artikel 10 van de aanvullende voorwaarden van de ondernemer beaamt juist dat de “Ouder” met een flexcontract uren mag aanvragen. Hiervoor is getekend en een contract is bindend.
Omwille van welzijn en zorg voor zijn kind, heeft de consument toch een eigen overeenkomst afgesloten met de ondernemer. Echter, door het afsluiten van een nieuw contract heeft hij nu geen volledig overzicht meer in het agenda wanneer zijn kind bij de ondernemer verblijft en zij de opvoedkundige taak of zorgtaak uitvoeren. Hij kan niet zien of zijn kind bij de ondernemer is in de weken dat zijn zoon bij moeder is.
De consument heeft dit probleem gemeld bij de ondernemer en gevraagd om weer zoals voorheen volledig inzicht te hebben in de maandagenda. Hij wil weten wanneer zijn kind bij de ondernemer is.
De ondernemer stelt dat dit vanwege de AVG niet mag omdat dit mogelijk in de privésferen van moeder ligt.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De consument heeft de ondernemer verzocht om hem de mogelijkheid te geven zelfstandig opvangdagen aan te vragen. De ondernemer heeft hem uitgelegd dat zijn ex-partner de contractuele wederpartij is en dat het aanvragen van opvangdagen een contractuele aangelegenheid is en bovendien gepaard gaat met financiële verplichtingen. Het toekennen van dergelijke rechten aan de consument zou ertoe leiden dat hij als niet-contractant directe invloed krijgt op de contractuele en financiële verplichtingen van zijn ex-partner. Op grond van de toepasselijke voorwaarden is de contractant verantwoordelijk voor betaling van de opvang. Met ingang van 1 januari 2026 heeft de consument ten behoeve van zijn zoon een eigen opvangovereenkomst gesloten. Dit is binnen de grenzen van wet- en regelgeving een passende en redelijke oplossing.
Wat betreft het verstrekken van de maandagenda verwijst de ondernemer naar artikel 1:377c van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin het informatierecht van ouders is geregeld, ongeacht of zij al dan niet met het gezag zijn belast. Dit recht houdt in dat een ouder informatie moet kunnen verkrijgen over belangrijke feiten en omstandigheden die het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet. Daarnaast dient de ondernemer in overeenstemming met de Wet Kinderopvang te handelen in het belang van het kind, waarbij transparantie en zorgvuldigheid in de communicatie met beide ouders van belang zijn.
De ondernemer erkent dat zij als professionele derde die over relevante feiten en omstandigheden beschikt, gehouden is de consument te informeren over belangrijke feiten en omstandigheden met betrekking tot de verzorging en opvoeding van zijn zoon tijdens de opvang.
De ondernemer voldoet aan deze informatieverplichtingen door de consument toegang te geven tot een co-ouderaccount in het online ouderportaal. Bovendien kan de consument inmiddels door het sluiten van een eigen maatwerk-opvangovereenkomst zelf gewenste opvangdagen aanvragen zodat hij daarvoor niet afhankelijk is van zijn ex-partner. De ondernemer is niet gehouden (ook) volledig inzicht te geven in de ‘opvang agenda’ van zijn zoon, waaronder wanneer zijn zoon bij de ondernemer verblijft en dus op welke dagen de ondernemer opvoedkundige en/of zorgtaken verricht. Op basis van de wekelijkse bso-verslagen kan de consument deze informatie zelf al inzien. De stelling van de consument berust op een onjuiste interpretatie van de wettelijke verplichtingen van de ondernemer. Het informatierecht is niet onbegrensd en ziet niet op het verstrekken van ieder detail of het faciliteren van toezicht op de zorgregeling tussen ouders. Een (volledige) agenda of aanwezigheidsplanning is op zichzelf geen belangrijk feit of omstandigheid in de zin van artikel 1:377c BW. Informatie die buiten de verzorging en opvoeding valt of primair ziet op de privésfeer van de andere ouder behoort daarom niet tot de informatie die de ondernemer moet verstrekken aan de consument. Overigens valt inzage in o.a. een (volledige) agenda ook onder de privacybescherming van de ex-partner en kan daarom om die reden niet gedeeld worden met de consument.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie stelt vast dat de consument en zijn ex-partner gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over hun zoon. Tussen partijen is niet in geschil dat gedurende een periode van meerdere jaren na de beëindiging van de relatie door beide ouders gebruik werd gemaakt van één flexcontract bij de ondernemer. Beide ouders vroegen opvanguren aan. Op verzoek van de ex-partner van de consument is dit beëindigd en kan de consument niet langer gebruik maken van het bestaande contract.
Het geschil bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds betreft het de vraag of de ondernemer terecht heeft besloten dat uitsluitend de moeder als contractouder opvanguren mocht aanvragen en de consument daartoe niet langer bevoegd was. Anderzijds betreft het de vraag of de ondernemer gehouden is aan de consument inzicht te geven in de opvangmomenten van het kind, ook wanneer het kind op initiatief van de moeder bij de ondernemer verblijft.
Ten aanzien van het gebruik van het bestaande contract
De commissie overweegt dat de opvangovereenkomst waar de consument voorheen gebruik van kon maken formeel op naam van de moeder staat. De ondernemer mocht daarom in beginsel uitgaan van de contractuele relatie met de contractouder. Dat betekent dat de ondernemer bevoegd was om de wensen van de contractouder ten aanzien van het gebruik van het contract zwaar te laten wegen, in het bijzonder nadat de moeder haar toestemming voor het gebruik van het contract door de consument had ingetrokken.
De omstandigheid dat de consument gedurende meerdere jaren feitelijk eveneens opvanguren heeft kunnen aanvragen via de app, maakt niet dat daardoor automatisch een zelfstandige contractuele positie voor de consument is ontstaan. De commissie volgt de consument daarom niet in zijn standpunt dat hij aan die feitelijke handelwijze dezelfde rechten kon ontlenen als de contractouder. De commissie begrijpt dat dit voor de consument als ongelijkwaardig is ervaren, mede nu beide ouders met het gezag zijn belast en gezamenlijk zorg dragen voor hun zoon. Dat neemt echter niet weg dat het aan ouders zelf is om onderling afspraken te maken over de verdeling van opvang, zorg en communicatie. Indien ouders daarover geen overeenstemming bereiken, kan die verantwoordelijkheid niet bij de ondernemer worden neergelegd.
De commissie acht het daarom niet onredelijk dat de ondernemer, gelet op het ontbreken van een ouderschapsplan en het ontstane conflict tussen ouders, heeft verlangd dat de consument een eigen overeenkomst zou afsluiten voor de opvangmomenten voor zijn zoon. Daarbij weegt mee dat de ondernemer de consument hierin is tegemoetgekomen en hem een maatwerk-opvangovereenkomst heeft aangeboden.
Ten aanzien van de inzage in de opvangagenda
Anders oordeelt de commissie over het standpunt van de ondernemer dat aan de consument geen inzicht behoeft te worden gegeven in de opvangmomenten van het kind wanneer het kind bij de moeder verblijft.
De commissie stelt voorop dat de consument als met gezag belaste ouder recht heeft op informatie over wezenlijke aangelegenheden die betrekking hebben op zijn kind. Het gaat hier niet om informatie over de persoonlijke levenssfeer van de moeder, maar uitsluitend om de vraag op welke dagen het kind bij de ondernemer wordt opgevangen, zodat de consument vooraf inzicht heeft wanneer zijn kind bij de ondernemer verblijft. Naar het oordeel van de commissie staat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) er niet aan in de weg dat deze beperkte informatie aan de consument wordt verstrekt. De ondernemer kan volstaan met het verstrekken van informatie over de opvangdagen en -tijden van het kind, zonder daarbij overige gegevens van de moeder te delen. De commissie acht het in het belang van een goede gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag dat beide ouders kunnen beschikken over basale informatie omtrent de (toekomstige) opvang en aanwezigheid van hun kind bij de ondernemer. Een ouder met gezag heeft er een gerechtvaardigd belang bij te weten wanneer zijn of haar kind bij de opvang verblijft.
Gelet op het bovenstaande komt de commissie tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer aan de consument informatie dient te verstrekken betreffende de aanwezigheid van de zoon van de consument bij de ondernemer;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer Y. Dragstra, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 8 mei 2026.