Commissie: Verhuizen
Categorie: Diefstal
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1320500/1330025
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De commissie verklaart de klacht van de consument ongegrond. De consument meldde dat tijdens het laden van de inboedel drie gouden sieraden uit een doosje op het dressoir zouden zijn verdwenen. Zij ontdekte de vermissing later op de dag, maar meldde dit pas weken daarna aan het verhuisbedrijf en deed vervolgens aangifte bij de politie. De ondernemer vroeg direct navraag bij alle betrokken verhuizers, maar geen van hen herinnerde zich het sieradendoosje of het wegnemen van sieraden. Omdat er geen bewijs is dat een medewerker van het verhuisbedrijf de sieraden heeft weggenomen, kan de commissie geen diefstal vaststellen. De ondernemer heeft volgens de commissie adequaat gereageerd door de kwestie open te houden en navraag te doen. Zonder feitelijke vaststelling van ontvreemding kan geen aansprakelijkheid worden aangenomen. Het verzoek om een tegemoetkoming wordt daarom afgewezen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft vermissing van sieraden bij een verhuizing.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
“Op de 1e verhuisdag (laden), 30 september ’s ochtends in [stad 1], zijn uit onze slaapkamer, uit een klein doosje op een klein dressoir, 3 gouden dierbare sieraden weggenomen. M’n gouden 14-karaats choker met 5 diamantjes en twee gouden 14-karaats schakelarmbanden. Er zaten nog wel een kinder zilveren armbandje met naamplaatje, oud dun kettinkje en oud doublé dameshorloge in. Het doosje stond daar nog, samen met wat andere spulletjes. De bedoeling was dit mee te nemen in een tas naar een tijdelijk verblijf (vakantiehuisje) ter overbrugging naar onze nieuwbouw seniorenwoning in [provincie]. Het dressoir en andere meubels bleven in ons huis achter als roerend goed voor de kopers van ons huis. Tot mijn schrik zag ik dat m’n gouden sieraden wegwaren circa ’t einde van de middag en dacht meteen “het zal toch niet waar zijn”. Omdat ik wat last had van verhuis stress heb ik het niet meteen durven melden. Ik nam mij voor de zekerheid voor nog goed zoeken als de verhuisdozen gelost zouden worden op 20 oktober in ons nieuwe huis in [stad 2]. Dat heb ik grondig gedaan en helaas niets gevonden. Vervolgens heb ik de ontvreemding eerst telefonisch 28 oktober (week 44) gemeld aan de eigenaresse van het verhuisbedrijf. Op 14 november jl. heb ik aangifte gedaan bij de politie in [stad 3]. Op 19 november heb ik melding van de Politie aangifte gedaan bij het verhuisbedrijf. Omdat zij totaal niet twijfelen aan de (niet eigen) medewerkers wend ik mij nu tot uw geschillencommissie.
Het voorstel om de klacht op te lossen is in eerste instantie dat mijn verhaal niet meteen afgewimpeld wordt maar geloofd wordt. Ten tweede een tegemoetkoming voor het geleden verlies van mijn dierbare sieraden.”
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
“Wij hebben diverse malen de inboedel van deze klant verhuisd. Op 30 september 2026 is de inboedel geladen door 3 verhuizers. Deze is via onze meubelopslag gelost op maandag 20 oktober 2026. Het sieradenkistje lag bij het laden op 30 september 2026 blijkbaar op haar nachtkastje met de bedoeling dit zelf mee te nemen en niet in opslag te gaan. Na het lossen in [stad 2] heeft mevrouw gebeld dat ze hieruit sieraden miste. Wij hebben dit gelijk aan de 3 verhuizers gevraagd die de inboedel opgeladen hebben. Alle 3 konden zij het kistje niet herinneren en zeker niet dat er iets uitgehaald is. Mijn voorman [naam] (ruim 25 jaar in dienst en is iedere keer de voorman geweest bij haar verhuizingen) snapt niet dat ze niet gelijk na het opladen 30 september 2026 heeft gebeld. Wij hebben toen een email gestuurd dat ze het zich niet konden herinneren en dat ik (eigenaresse verhuisbedrijf) hun op hun woord geloofde.”
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De consument heeft, verkort weergegeven, nog een volgende reactie op het verweer gegeven.
“Het klopt dat onze inboedel diverse malen is verhuisd door [naam 2] (overigens naar volle tevredenheid). [Naam 1] heeft constant, met uitzondering van twee koffiepauzes in de verhuiswagen de inboedel gestapeld in de containers. De twee andere verhuizers hebben de overige spullen verzameld. Waarvan één verhuizer op zolder het e.e.a. gedemonteerd heeft en de andere verhuizer in onze slaapkamer ons boxspringbed en nachtkastjes heeft gedemonteerd en verpakt. Volgens [naam 3] begrijpt [naam 1] niet waarom ik na constatering van mijn verdwenen sieraden diezelfde dag meteen gebeld heb. Toen ik het constateerde was mijn 1e gedachte “het kan niet waar zijn’. Ik kón het gewoon niet direct melden, mede door de verhuis hectiek, schoonmaken woning etc. m.b.t de overdracht de volgende dag. De vermissing zou dan een beschuldiging suggereren en kon ik nauwelijks zelf geloven, laat staan meteen melden. Het klopt ook dat ik bij het lossen op 20 oktober jl. niets gezegd heb tegen [naam 1] in aanwezigheid van de overigens innemende compagnon van [naam 3]. Ik vond het niet passend het er over te hebben omdat ik al contact had met [naam 3]. En zoals eerder gezegd de verhuisdozen nog wilde controleren voor alle zekerheid, al wist ik natuurlijk dat m’n 1e gevoel goed was. Ik voel mij, net als de verhuizers volgens [naam 3], eveneens gekrenkt omdat ik niet geloofd word. Ik mis mijn vertrouwde sieraden waaronder het erfstuk van mijn moeder, het verlies heeft voor mij een emotionele waarde. Deze verhuizing heeft hierdoor een bittere nasmaak voor ons.”
“Mijn verhaal als onwaar bestrijden terwijl zij evenmin geen bewijs heeft of de verhuizers de waarheid hebben gesproken voelt niet goed. Ik mis de klantvriendelijkheid en een oplossend gerichte houding van [naam 3].”
De commissie moet vaststellen dat geen sluitend bewijs kan worden gevonden voor diefstal door (welke?) medewerker van de ondernemer. Ook van de kant van de politie is daarover niets medegedeeld. Het is jammer dat niet snel na de gerezen verdenking onderzoek gedaan kon worden. Bij gebreke van een dergelijke feitenvaststelling kan niet tot het oordeel van diefstal gekomen worden. De ondernemer kan niet verweten worden in eerste instantie van de oprechtheid van zijn personeel uit te gaan. Door de kwestie open te houden en zo snel mogelijk navraag te doen heeft ondernemer klantgerichtheid en oplossingsbereidheid laten zien. Dat het niet het door de consument gewenste resultaat heeft gehad kan dat niet in de weg staan. De ondernemer heeft geen andere onderzoeksmogelijkheden tot zijn beschikking. De politie had of zou eventueel nog nader op de zaak in kunnen gaan.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verhuizen, bestaande uit de heer mr. J.M.J. Godrie, voorzitter, de heer L. Pot, mevrouw mr. L. Schots – Smit, leden, op 7 april 2026.