Geen vergoeding voor gevolgschade

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Klussenbedrijven    Categorie: Schadevergoeding    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: KLU00-0013

De uitspraak:

Deskundigenrapport

De door de commissie ingeschakelde deskundige heeft blijkens zijn rapport, voorzover thans van belang, het volgende vastgesteld.   Door mij is informatie ingewonnen bij [een riooltechnisch bedrijf]. Deze gaf het volgende aan: het verticale deel van de afvoer kan niet worden onderzocht met behulp van een door de buis rijdende camera. De doorsnede van de buis en de diverse bochten daarin maken dit onmogelijk. Bovendien is een lekkage door niet goed sluitende delen van de afvoer vrijwel onmogelijk door een camera te registreren. Een mogelijk advies in deze zaak is om de aansluiting van de afvoer via de tuin te maken op een andere hemelwaterafvoer of direct op de hoofdafvoer naar de weg.   [De deskundige parket] rapporteert: de door [de andere, door de commissie ingeschakelde deskundige] opgevoerde kosten van herstel van de vloer ad ƒ 1.900,– zijn correct. Ik verwijs naar het eerste rapport. Na het tekstonderdeel “na droging Flevopol” dient te worden toegevoegd: “Voor het dichtleggen van de vloer dient de betonvloer ter plaatse van de reparatie nog eens extra met vochtdichte folie te worden afgesloten”. Dit verhoogt het bedrag af ƒ 1.900 niet. Ik ben ten aanzien van de oorzaak van de problemen met de vloer echter een andere mening toegedaan. De parketvloer is waarschijnlijk gelegd toen de ondervloer nog niet droog was.   Dit leid ik af uit de volgende omstandigheden: Ondanks het feit dat wij een bijzonder natte periode achter de rug hebben en er nog geen reparaties zij uitgevoerd was alles droog, ook ter plaatse van de eerdere vochtplek in de muur; de beton- en dekvloer lagen slechts 14 dagen toen de parketvloer werd gelegd; ter plaatse waar de problemen zich voordoen liggen c.v.-leidingen.   Standpunt van de consument   Het nader standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Het voorstel van de ondernemer, t.w. dat ik het depotbedrag ad ƒ 1.000,– mag houden en dat partijen afscheid van elkaar nemen, kan ik niet accepteren. Op 14 mei 2001 is er een zware onweersbui over mijn huis getrokken. Dit had tot gevolg dat de muur weer vochtig is geworden. Er kwam ook een vochtplek bij. De parketteur heeft destijds wel degelijk vochtmetingen verricht, alvorens de vloer te leggen. Ik wil nog steeds graag de oorzaak van de vochtproblemen achterhalen.   De consument verlangt een uitspraak van de commissie.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   Het feit dat de vloer en de muur ondanks het slechte weer van de afgelopen maand volkomen is opgedroogd, alsmede de conclusie van [de deskundige parket] werpen een geheel ander licht op de zaak. Of de parketteur nu wel of niet een vochtmeting heeft gedaan, als hij het parket op een te vochtige ondervloer heeft gelegd, is hij verkeerd bezig geweest. Voor de gevolgen daarvan ben ik niet aansprakelijk. De kosten van het voor mijn rekening komende herstel, indien de conclusie van [de deskundige parket] wordt gevolgd, begroot ik op ƒ 842,22 incl. BTW. Mijn voorstel is dat de consument het depotbedrag ad ƒ 1.000,– behoudt en dat de zaak wordt geseponeerd. Over de schade die wij lijden, praten we dan maar niet meer.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Het komt de commissie weinig zinvol voor om opnieuw een onderzoek naar de oorzaak van de vochtproblemen te laten instellen. De kans dat de oorzaak wordt gevonden is zeer klein en de behandeling van de zaak loopt weer een aanzienlijke vertraging op. De commissie zal dus beslissen op de gegevens die thans voorliggen. De oorzaak van het vochtprobleem wordt in het midden gelaten. Aan [de deskundige parket] is niet gevraagd om daarover een oordeel te geven. Hij is aangezocht voor de kosten van herstel van de vloer. Bovendien sluit zijn oordeel niet geheel uit dat de oorzaak elders ligt dan bij de parketteur, ook al acht hij dat zelf onwaarschijnlijk.   Uit het eerdere deskundigenrapport is komen vast te staan dat de ondernemer met betrekking tot de aanleg van de afvoer in elk geval onvakkundig te werk is gegaan, hetgeen een financiële vergoeding rechtvaardigt, die overeenkomt met de kosten van de door [het riooltechnisch bureau] aanbevolen werkzaamheden, welke door de ondernemer in zijn brief d.d. 4 mei 2001 zijn uitgewerkt. Het door de ondernemer aangeboden bedrag ad ƒ 1.000,– acht de commissie in dit verband redelijk. De consument kan zelf beslissen of hij de [het riooltechnisch bureau] aanbevolen werkzaamheden laat uitvoeren. Voor het toekennen van een vergoeding van verdere (gevolg)schade acht de commissie geen aanknopingspunten aanwezig, aangezien niet met zekerheid is vastgesteld dat de vochtproblemen zijn veroorzaakt door de werkwijze van de ondernemer. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk/ongelijk zijn gesteld, zal de commissie het klachtengeld bij helfte tussen partijen verdelen.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De ondernemer is aan de consument een vergoeding verschuldigd van ƒ 1.000,–. Hierin is de helft van het door de consument betaalde klachtengeld begrepen. Betaling geschiedt door terugstorting van het depotbedrag ad ƒ 1.000,– aan de consument.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Klussenbedrijven op 22 juni 2001.