Geschil over annuleringskosten opleiding opgelost met schikking

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: Schadevergoeding    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: schikking ter zitting   Referentiecode: 847288/1048884

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

Deze zaak gaat over een geschil tussen een student en een particuliere onderwijsinstelling. De student schreef zich in voor een vierjarige opleiding en betaalde de eerste termijn van ruim € 2.000. Eén dag voordat de opleiding zou beginnen, zegde hij zijn inschrijving op. Omdat hij geen lessen had gevolgd en geen gebruik had gemaakt van de opleiding, vond hij het onredelijk dat de onderwijsinstelling bijna € 1.500 aan kosten inhield en slechts ongeveer € 559 terugbetaalde. De student stelde voor om alleen € 500 administratiekosten te betalen. De onderwijsinstelling stelde dat zij volgens de voorwaarden recht had op het hogere bedrag, maar gaf tijdens de procedure alsnog aan akkoord te gaan met het voorstel van de student. Tijdens de zitting bereikten beide partijen hierover overeenstemming. Daarom hoefde de Geschillencommissie geen inhoudelijk oordeel meer te geven over wie juridisch gelijk had. De commissie legde de gemaakte afspraak vast en besliste dat de onderwijsinstelling nog € 977,86 aan de student moet terugbetalen, zodat de student uiteindelijk slechts € 500 betaalt. Daarnaast moet de onderwijsinstelling het klachtengeld van € 107,50 vergoeden. Ook merkte de commissie op dat een eerder schikkingsvoorstel van de onderwijsinstelling de student niet had bereikt, waardoor een zitting waarschijnlijk onnodig had kunnen zijn

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een medio 2024 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het toelaten van consument tot de 4-jarige opleiding [opleiding naam]. Door de consument is de eerste hem in rekening gebrachte termijn van € 2.036,97 betaald. Daarna is de overeen-komst door de consument op 15 september 2024 opgezegd. Vanwege die beëindiging is de consument door de ondernemer in (slot)afrekening gebracht € 1.477,86. Daarop is aan consument terugbetaald € 2.036,97 mi-nus
€ 1.477,86 = € 559,11.

De consument heeft op 18 september 2024 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

De klacht is door de consument bij de geschillencommissie ingediend op 26 januari 2025. Het verweer van de ondernemer dateert van 2 mei 2025.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Midden 2024 heb ik mij ingeschreven voor de opleiding [opleiding naam]. Op 16 september 2024 zou ik ge-start zijn met deze opleiding, echter ik heb mij voor aanvang (een dag ervoor) afgemeld voor de opleiding. Ik heb dus geen lessen genoten en geen online modules gevolgd. Voor deze opleiding (totale kosten circa 21.000 euro) was op dat moment een eerste termijn betaald van
€ 2.000,–. De ondernemer brengt ondanks het feit dat ik nooit gestart ben, conform hun voorwaarden (afge-rond) € 1.400,– in rekening. Ik krijg dus slechts € 600,– terug. Ik heb meermalen aangegeven dat ik dit geen billijk bedrag vind en ik heb voorgesteld dat ik € 500,– betaal voor administratiekosten. Dat vind ik een ruime vergoeding voor alleen een online inschrijving. Ik heb verder geen diensten ontvangen van de ondernemer. Hiermee gaat de ondernemer echter niet akkoord. Zij claimen kosten gemaakt te hebben. Ik heb gevraagd om een specificatie van deze kosten, maar deze blijft uit. Ik zou graag zien dat ik € 1.500,– retour krijg van mijn aanbetaling van € 2.000,–.

Ik heb een e-mail ontvangen vanuit de geschillencommissie dat de ondernemer heeft aangegeven dat beide partijen tot een schikking zijn gekomen. Hierbij wil ik laten weten dat dit niet het geval is.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Ik blijf bij wat door mij is aangevoerd. Ik heb niks meegekregen van een aanbod van de ondernemer. Ik hoor dat nu hier op de zitting. Ik ben daar erg blij mee. Ik wil graag dat de commissie dat in de beslissing vastlegt. Het klopt dat ik het bedrag € 559,11 heb terugontvangen.

De consument verlangt: “Voorgesteld aan [ondernemer] is om een bedrag te betalen van 500 euro voor de gemaakte administratie kosten.”.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft zich op 30 juli 2024 via de website van de ondernemer ingeschreven voor de geaccredi-teerde [opleiding naam]. Deze opleiding heeft een nominale looptijd van 4 jaar. De totale kosten van € 22.243,64 (1x € 2.036,97 en 11x € 1.836,97) zou de consument in twaalf maandelijkse termijnen aan de on-dernemer voldoen. De opleiding zou starten op 16 september 2024.

Op 12 en 21 augustus 2024 heeft de ondernemer de consument in verband met de naderende start van de opleiding 3 studieboeken toegestuurd, en op 8 augustus 2024 is aan de consument de eerste termijn (1 van 12) gefactureerd. Deze factuur van € 2.036,97 is tijdig door de consument betaald. De studieboeken heeft de consument tot op heden nog in zijn bezit.

Op zondagmiddag 15 september 2024 heeft de consument zich vervolgens per e-mail bij de ondernemer uit-geschreven voor de opleiding. In verband daarmee is aan de consument, op grond van de toepasselijke al-gemene voorwaarden van de ondernemer die tijdens het inschrijfproces aan hem ter hand zijn gesteld, uitein-delijk een bedrag van € 559,11 gecrediteerd middels de creditfactuur van 26 november 2024. De consument heeft dat bedrag nadien op 5 december 2024 van de ondernemer retour ontvangen, zodat door de consument tot op heden in totaal een bedrag van € 1.477,86 aan de ondernemer is betaald.

In dit geschil wordt door de consument voorgesteld om aan de ondernemer enkel een bedrag van
€ 500,– te betalen aan administratiekosten. Dat zou betekenen dat door de ondernemer met een tweede cre-ditfactuur, een bedrag van € 1.477,86 minus € 500,– = € 977,86 zou moeten worden overgemaakt aan de consument.

Hoewel de ondernemer van mening is dat hij volledig in lijn met relevante wet- en regelgeving aanspraak heeft gemaakt op betaling van het bedrag van € 1.477,86 stemt hij om hem moverende redenen in met het voorstel van de consument.

Dat betekent dat de ondernemer een creditfactuur op zal maken voor een bedrag van € 977,86, welk bedrag nadien aan de consument zal worden uitbetaald zodat door de consument in verband met zijn inschrijving bij de ondernemer uiteindelijk in totaal slechts een bedrag van € 500,– is betaald.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De ondernemer handhaaft hier ter zitting het voorstel dat op basis van een tweede nog op te maken creditfac-tuur nog een bedrag van € 977,86 wordt terugbetaald aan de consument. Of anders gezegd; de ondernemer is alsnog akkoord gegaan met het voorstel van de consument om hem in het kader van de slotafrekening alleen de administratiekosten ad € 500,- te laten betalen. Ik hoor de consument hier zeggen dat hij deze uitkomst prima vindt.

Ik begrijp dat de commissie dit resultaat nog zal moeten vastleggen in een beslissing.

De ondernemer verklaart zich desgevraagd ook bereid om het klachtengeld ad € 107,50 aan de consument te voldoen.

De ondernemer zou het wel zuur vinden als hij ook wordt gehouden tot betaling van de behandelingskosten. Dat is een vrij fiks bedrag, en toewijzing daarvan betekent dat het geen zin meer heeft na indiening van een klacht een schikking te bereiken. Vroeger hoefde je geen behandelingskosten te voldoen als de schikking voor de zitting was bereikt. Dat was in zekere zin nuttiger en gepaster. Ik wil hier ter zitting wel even een punt maken van deze onvrede met de huidige aanpak.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de wijze waarop het geschil opgelost zal worden. Dit betekent dat de commissie niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Volstaan wordt met het hierna vastleggen van de tussen partijen tot stand gekomen schik-king.

De door partijen ter zitting getroffen regeling houdt in dat de ondernemer aan de consument betaalt het bedrag van € 977,86 te vermeerderen met het door de consument betaalde klachtengeld ad
€ 107,50.

De commissie zal dienovereenkomstig beslissen.

Voor wat betreft de al dan niet (gedeeltelijke) verschuldigdheid van de ondernemer van de bijdrage in de be-handelingskosten is geldend hetgeen daarover is vastgelegd in het reglement van deze commissie zoals dat per 1 januari 2025 is gaan gelden. Artikel 22 van dat reglement luidt aldus:

1. De ondernemer kan een door de stichting vastgesteld bedrag verschuldigd zijn voor
de behandeling van het geschil, afhankelijk van de fasen van de procedure die het
geschil doorloopt.
2. De commissie kan de behandelingskosten in de uitspraak matigen met maximaal 50%
bij een gedeeltelijk gegronde klacht.

Indachtig die bepalingen is de commissie allereerst van oordeel dat matiging van de behandelingskosten (lid 2) in casu niet aan de orde is omdat het getroffen vergelijk materieel volledig tegemoet komt aan wat door de consument is gevorderd. Of anders gezegd: het vergelijk getuigt niet van een gedeeltelijk gegronde klacht.

Welk “door de stichting vastgesteld” bedrag de ondernemer verschuldigd is per “fasen van de procedure” ont-trekt zich aan de wetenschap van de commissie. Het secretariaat van de commissie is belast met het de on-dernemer in rekening brengen daarvan. Kennelijk is sprake van een getrapte heffing. Het is daarom dat de commissie wenst vast te leggen dat het eerst bij indiening van het verweer gedane aanbod (om akkoord te gaan met het voorstel van de consument) de consument niet heeft bereikt, waarvan ogenschijnlijk de onder-nemer geen verwijt is te maken. Als die communicatie wel goed was gegaan, dan was het vergelijk hoogst-waarschijnlijk tot stand gekomen voor (het appointeren van) de zitting en was een zitting niet nodig geweest. Dit als duiding van de fase die naar het oordeel van de commissie relevant zou kunnen zijn voor het bepalen van de hoogte van de door de ondernemer te betalen bijdrage in de behandelingskosten.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument voormeld bedrag van € 977,86.

Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 107,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan het secretariaat van de commissie de nader door dat secretariaat (op de voet van bovengenoemd artikel 22 lid 1 van het reglement van de commissie) te bepalen bijdrage in de behandelingskosten van het geschil verschuldigd, voor de bepaling waarvan de commissie hier verwijst naar wat hierboven daarover is overwogen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit de heer mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, de heer mr. J.A. Frederik, de heer H.W. Zuur, leden, op 11 juni 2025.

Opslaan als PDF