Geschil over onverwacht mondeling examen kan niet worden behandeld

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Onbevoegdverklaring   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 862170/1227876

De uitspraak:

Waar gaat deze zaak over?

De zaak gaat over een consument die een opleiding volgde en aan het einde van de opleiding onverwacht te horen kreeg dat er een mondeling examen moest worden afgelegd. Volgens de consument was hierover eerder verkeerde en onduidelijke informatie gegeven. Zowel de studenten als de docent zouden verschillende antwoorden hebben gekregen over de vraag of het mondelinge examen verplicht was. Pas ongeveer twee weken voor het einde van de opleiding werd duidelijk dat het examen toch moest worden afgelegd. De consument diende hierover samen met andere studenten een klacht in en vindt dat de ondernemer niet goed met deze klacht is omgegaan. Omdat de consument het mondelinge examen niet heeft gedaan, heeft diegene geen deelnamecertificaat ontvangen. De consument wil daarom dat het mondelinge examen vervalt of dat een deel van het lesgeld wordt terugbetaald. De ondernemer vindt dat de commissie de klacht niet kan behandelen, omdat de consument de studieovereenkomst niet met de ondernemer heeft gesloten, maar met een andere organisatie. De commissie stelt vast dat er inderdaad geen overeenkomst bestaat tussen de consument en de ondernemer. Ook is niet gebleken dat de ondernemer door een andere reden aan de studieovereenkomst gebonden is. Daarom kan de commissie niet inhoudelijk beoordelen of het mondelinge examen terecht verplicht was en of de consument recht heeft op een terugbetaling. De commissie verklaart zich onbevoegd om het geschil te behandelen.

De volledige zaak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de vraag of de consument als onderdeel van de opleiding een mondeling examen moest afleggen.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft onze studieklas verkeerd geïnformeerd, alsook de docente, over een wel of niet af te nemen mondeling (eind)examen. We hebben individueel, bij de start van de tweede studiehelft, navraag gedaan en allemaal andere antwoorden gekregen. Zelfs de docent had een ontkennende reactie ontvangen van de dondernemer. Wij hebben klassikaal een klacht ingediend omdat we ‘ineens’, aan het einde van de opleiding binnen twee weken, toch een mondeling examen moesten doen. Wij hebben maanden op een reactie van onze klacht moeten wachten en uiteindelijk een onbevredigende reactie ontvangen. Wij vinden dit een onacceptabele gang van zaken en krijgen nu geen deelnamecertificaat omdat we het mondeling nog niet volbracht hebben.

Ik wil dat de ondernemer de mondelinge toets laat vervallen of het lesgeld (deels) restitueert over het tweede deel van de opleiding.

De ondernemer stelt dat er sprake is van niet-ontvankelijkheid, omdat er geen rechtsverhouding bestaat tussen mij de ondernemer. Dit is een onjuist stelling: De Bestuursacademie Nederland Opleidingen B.V. (‘de Bestuursacademie Nederland’) heeft alle klachten over de opleiding doorgestuurd naar de ondernemer, deze heeft vervolgens op de klachten gereageerd richting ons. De rechtsverhouding tussen de Bestuursacademie Nederland en de ondernemer nemen ze zelf ook niet zo serieus. Als cursist is het hierdoor erg verwarrend wie wie is. De ondernemer is de opleider die verantwoordelijk is voor de inhoud en uitvoering van de opleiding. De Bestuursacademie Nederland kan hier worden gezien als tussenpersoon. De andere klagers die zich bij in deze zaak gevoegd hebben, hebben wel rechtstreeks een overeenkomst met de ondernemer afgesloten. Om deze groep ook niet-ontvankelijk te verklaren is onjuist.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Alvorens in te gaan op de klacht van de consument wenst de ondernemer op te merken dat zij van mening is dat de consument niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De consument heeft bij de Geschillencommissie een klacht ingediend tegen [ondernemer], maar tussen de ondernemer en de consument bestaat geen rechtsverhouding. De consument heeft op 25 augustus 2023 een studieovereenkomst gesloten met een volledig andere juridische entiteit: ‘de Bestuursacademie Nederland Opleidingen B.V.’. De ondernemer wijst op de inschrijvingsbevestiging van laatstgenoemde partij d.d. 25 augustus 2023.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De ondernemer heeft gesteld dat er tussen haar en de consument geen overeenkomst bestaat. De consument heeft dit erkend en het blijkt ook uit de door partijen overgelegde documenten. Hoewel denkbaar was geweest dat de ondernemer dit argument uit het oogpunt van klantvriendelijkheid niet had gevoerd, is het argument op zichzelf juist. Dat de ondernemer alleen tussenpersoon zou zijn (waardoor de ondernemer rechtstreeks zou zijn gebonden aan de overeenkomst tussen de consument en de Bestuursacademie Nederland) is niet gebleken. Andere gronden om de ondernemer aan deze overeenkomst gebonden te achten zijn er evenmin.

Nu de commissie haar bevoegdheid moet ontlenen aan een overeenkomst tussen partijen en er geen sprake is van een dergelijke overeenkomst, moet de commissie zich onbevoegd verklaren het geschil te behandelen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit de heer mr. W.F.R. Rinzema, voorzitter, de heer mr. J.A. Frederik, de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 30 september 2025.

De heer mr. W.F.R. Rinzema

 

Opslaan als PDF