Commissie: Notariaat
Categorie: (non)conformiteit
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
489435/981070
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
Deze zaak gaat over een klacht tegen een notaris die in 2013 een akte over de afwikkeling van een testament en de verdeling van een nalatenschap heeft laten inschrijven bij het Kadaster. De zoon van een van de betrokkenen vond dat de notaris daarbij te veel persoonlijke en financiële informatie openbaar had gemaakt en daardoor de privacy van de erfgenamen had geschonden. Hij vroeg de commissie om de akte te laten rectificeren en een schadevergoeding toe te kennen. De notaris stelde dat de klacht veel te laat was ingediend, omdat de inschrijving al in 2013 had plaatsgevonden en de betrokkenen daarvan op de hoogte waren. Daarnaast voerde hij aan dat hij de akte volgens de toen geldende wet- en regelgeving correct had laten registreren. De Geschillencommissie oordeelde dat de klacht niet binnen de daarvoor geldende termijn was ingediend. Omdat de betrokken partij al in 2013 wist of had kunnen weten dat de akte was ingeschreven en pas in 2024 een klacht indiende, is de wettelijke termijn ruimschoots overschreden. Daarom verklaarde de commissie de klager niet-ontvankelijk en werd de inhoud van de klacht niet verder behandeld. De commissie merkte daarbij wel op dat het erop lijkt dat de notaris juist heeft gehandeld door alleen die gegevens te publiceren die volgens de regelgeving moesten worden opgenomen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de inschrijving van een akte bij het kadaster door de notaris.
Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De notaris heeft op 6 juni 2013 een akte gepasseerd, waarbij het testament van de vader van klager is afgewikkeld en zijn nalatenschap is verdeeld. Daarbij is de moeder van klager (hierna te noemen: de cliënte) verschenen.
De notaris heeft de privacy van de belanghebbenden bij de akte geschonden door nagenoeg de integrale akte, inclusief bedragen, te laten registreren bij het kadaster. De notaris heeft geweigerd deze akte te rectificeren.
Het betreft hier zeer laakbaar, onachtzaam en roekeloos handelen en een zeer grove nalatigheid van de notaris. Geen enkele notaris had een dergelijke akte laten registreren in de openbare registers bij het kadaster. Dit heeft klager vernomen van een andere notaris in de regio. Het onnodig publiceren van onnodig veel financiële informatie leidt tot immateriële schade van de belanghebbenden.
Klager verzoekt de commissie te bepalen dat de notaris de bij het kadaster openbaar gemaakte verdeling van de nalatenschap van de vader van klager moet rectificeren. Voorts verzoekt hij de commissie in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen die de cliënte (en de overige belanghebbenden) door toedoen van de notaris heeft (hebben) geleden.
Standpunt van de notaris
Voor het standpunt van de notaris verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De notaris is van mening dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klacht vanwege tijdsverloop. Er wordt geklaagd over een akte die al in 2013 is ingeschreven in de openbare registers.
Inhoudelijk merkt de notaris het volgende op.
Klager heeft bij de notaris voor het eerst bij e-mail van 3 juli 2024 geklaagd. De notaris heeft op 4 juli 2024 gereageerd en gemeld dat hij openstaat voor een gesprek. Daarvan heeft klager nimmer gebruik gemaakt. Hij heeft wel – al op 3 juli 2024 – negatieve recensies over de notaris op internet geplaatst. De bewering van klager dat de notaris het met de privacy van zijn klanten niet zo nauw neemt, werpt de notaris verre van zich.
De betreffende akte zelf is niet fout, dus een rectificatie is niet aan de orde. De notaris betwist dat hij te veel gegevens heeft ingeschreven in het kadaster. Hij heeft een uittreksel van de akte ingeschreven. Daarbij heeft hij zich gehouden aan de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 en de Wet op het Notarisambt. Daaruit volgt dat in een uittreksel van een akte van verdeling de kwesties aangaande vererving en de executele/het afwikkelingsbewind en de geldelijke tegenprestatie moeten worden opgenomen. Dat de notaris de enige notaris is die de gegevens zoals die in de akte zijn opgenomen, laat inschrijven bij het kadaster, is niet correct.
De notaris is van mening dat hij van de akte een uittreksel mocht inschrijven zoals hij dat heeft gedaan, zeker als rekening wordt gehouden met het feit dat er in 2013 veel minder privacywetgeving was dan tegenwoordig. Het is bovendien een misverstand om te denken dat dit uittreksel zal worden verwijderd door het kadaster als er nu een rectificatie-akte wordt ingediend. De akte die in 2013 is ingeschreven blijft zichtbaar, omdat die akte voldoet aan de vereisten voor inschrijving.
Klager geeft aan schade te hebben geleden. Een onderbouwing van de schade ontbreekt; volgens de notaris is er ook geen sprake van schade.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De notaris beroept zich op niet-ontvankelijkheid. Gelet op dit verweer van de notaris dient te commissie te onderzoeken of klager kan worden ontvangen in de klacht. De commissie dient deze vraag te beantwoorden aan de hand van de bepalingen van haar reglement: de niet-ontvankelijkheidsgronden staan vermeld in artikel 7 van het reglement. Dit artikel luidt – voor zover van belang – als volgt:
“2. De Commissie verklaart op verzoek van de notaris – mits gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk:
a. indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de notaris heeft ingediend binnen drie maanden na het moment waarop de cliënt kennisnam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven;
(,,,)
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder a, kan de Commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet-naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de Commissie redelijkerwijs geen verwijt treft.
Klager klaagt namens de cliënte over de inschrijving bij het kadaster van de akte ‘afwikkeling testament, verdeling nalatenschap’ van 6 juni 2013, waarbij de cliënte partij was. De notaris heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij de inhoud van de akte met de cliënte heeft doorgenomen en dat hij haar daarvan een afschrift heeft gestuurd. Voorts heeft hij verklaard dat de cliënte een brief van het kadaster heeft ontvangen, waarin haar is medegedeeld dat de akte is ingeschreven.
De commissie is van oordeel dat de cliënte dus reeds in 2013 kennisnam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven. Klager heeft in het vragenformulier vermeld dat hij namens de cliënte op 3 juli 2024 bij de notaris heeft geklaagd. De termijn genoemd in artikel 7 lid 2 sub a van het reglement is dus ruimschoots overschreden. De commissie is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de cliënte dan wel klager ter zake van de niet-naleving van de voorwaarden geen verwijt treft. De commissie is met de notaris van oordeel dat de cliënte/klager gelet op het tijdsverloop – twaalf jaar – thans in redelijkheid niet meer kan klagen over de inschrijving van de akte bij het kadaster.
Gelet op het voorgaande moet klager niet-ontvankelijk worden verklaard in de namens zijn moeder ingediende klacht. De commissie komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het geschil.
Louter ten overvloede overweegt de commissie dat het haar voorkomt dat de notaris juist heeft gehandeld door datgene te publiceren wat volgens de door de notaris genoemde wet- en regelgeving vereist – en dus ook toegestaan – is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Notariaat, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, de heer mr. M. de Waal en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 24 september 2025.
de heer mr. J. van der Groen