Commissie: Kinderopvang
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1335245/1339068
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een geschil tussen een ouder en een kinderopvangorganisatie over de beëindiging van een overeenkomst voor buitenschoolse opvang (BSO) en voorschoolse opvang (VSO) van haar zoon. De ondernemer stelde dat er sinds de start van de opvang meerdere incidenten waren geweest waarbij het kind fysiek ongewenst gedrag vertoonde tegenover medewerkers. Na gesprekken met de ouder besloot de ondernemer de overeenkomst te beëindigen. De consument vond dit onterecht, omdat de VSO grotendeels goed verliep en er geen alternatief voor deze opvang beschikbaar was via de school van haar zoon. De Geschillencommissie oordeelt dat de ondernemer onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Er is niet onderzocht of het kind daadwerkelijk een noodzaak had voor intensieve individuele begeleiding en er is geen externe deskundige betrokken om de ondersteuningsbehoefte in kaart te brengen. Ook acht de commissie de periode waarin de ondernemer heeft geprobeerd verbetering te bereiken te kort om een goede beoordeling te kunnen maken. Daarnaast ontbrak een duidelijke waarschuwing dat voortzetting van het gedrag tot beëindiging van de overeenkomst kon leiden. Daarom verklaart de commissie de klacht gegrond. De commissie merkt wel op dat de consument inmiddels heeft ingestemd met de beëindiging van de overeenkomst en al een andere BSO heeft gevonden, waardoor de uitspraak geen gevolgen heeft voor de beëindiging van de opvang. De ondernemer moet wel het klachtengeld van € 25,- aan de consument vergoeden.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de opzegging van de overeenkomst vanwege het gedrag van de zoon van de consument.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Vanaf 1 januari 2026 maakte de zoon van de consument gebruik van BSO en VSO bij de ondernemer. Bij de BSO hebben meerdere incidenten plaatsgevonden. Er hebben zich op de VSO twee incidenten voorgedaan, maar verder verliep de opvang daar goed. Het contract voor de BSO en VSO is na twee gesprekken beëindigd.
De school van de zoon van de consument werkt voor VSO alleen samen met deze ondernemer. Zonder VSO kan de consument niet aan het werk. De ondernemer wilde niet meewerken om de VSO wel goed te laten verlopen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Vanaf de eerste dag BSO was sprake van fysiek ongewenst gedrag door de zoon van de consument jegens de medewerkers. Op de tweede opvangdag is daarvoor hulp ingeschakeld van de juf uit de klas en de operationeel leidinggevende van de BSO. De consument is toen ook geïnformeerd.
Op de VSO was de operationeel leidinggevende ook al eerder betrokken geweest vanwege fysiek ongewenst gedrag. Vrij regelmatig was op de VSO sprake van incidenten en hiervoor is ook hulp ingeschakeld.
Dit alles heeft gemaakt dat de ondernemer de consument op dinsdag 27 januari 2026 per mail heeft uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. De gemaakte afspraken zijn na afloop aan de consument gemaild.
Op 24 februari 2026 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden. Hierin heeft de ondernemer de consument geïnformeerd dat de opvangovereenkomst wordt beëindigd, omdat de situatie met de zoon van de consument niet is verbeterd. Aan de consument is meegedeeld dat de overeenkomst per 1 april 2026 wordt beëindigd.
Op 9 maart 2026 heeft de consument een mail gestuurd inhoudende dat haar zoon vanaf 1 april 2026 ergens anders naar de BSO kan. Uiteindelijk bleek dat deze nieuwe opvang geen VSO aanbood en daarom wilde de consument toch weer VSO afnemen bij de ondernemer. Dit is echter niet mogelijk. Met het beëindigen van de BSO-overeenkomst is het niet mogelijk om een nieuwe aanvraag voor VSO/NSO/studiedag-/vakantieopvang te doen, nu dit allemaal onderdeel is van een BSO-overeenkomst.
De ondernemer is van mening hierin zorgvuldig te hebben gehandeld.
Beoordeling van het geschil
Het geschil
Vanwege incidenten waarbij de zoon van de consument betrokken was, heeft de ondernemer de overeenkomst voor buitenschoolse opvang (BSO) opgezegd. Deze overeenkomst omvat tevens de voorschoolse opvang (VSO) waarvan de consument gebruik maakte. Ten aanzien van de BSO heeft de consument inmiddels een alternatieve opvangvoorziening gevonden. Met betrekking tot de VSO wenst de consument echter opnieuw gebruik te maken van de dienstverlening van de ondernemer, nu deze VSO de enige voorziening in de omgeving betreft waarmee de basisschool samenwerkt.
Bevindingen commissie
Niet tussen partijen is in geschil dat de zoon van de consument een extra begeleidingsbehoefte heeft. De ondernemer heeft deze behoefte vertaald naar “1-op-1-begeleiding”. De noodzaak voor 1-op-1-begeleiding blijkt echter niet uit de overgelegde stukken. Er is immers geen onderzoek of observatie verricht naar de concrete ondersteuningsbehoefte van het kind, en ook is geen externe hulp of deskundige begeleiding ingeschakeld.
De ondernemer heeft gedurende een periode van ongeveer één maand geprobeerd enkele gedragstips toe te passen. De commissie acht deze periode te kort om te kunnen beoordelen of sprake is van structurele gedragsverbetering.
Verder is de opzegging van de overeenkomst slechts summier gemotiveerd. De door de ondernemer genoemde klachten zouden volgens de consument reeds tijdens het intakegesprek aan de orde zijn geweest. De ondernemer heeft dit niet met stukken kunnen weerspreken.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat sprake is van onzorgvuldig handelen, in die zin dat de ondernemer te vroeg is overgegaan tot opzegging van de overeenkomst. Onvoldoende is onderzocht of met (eventuele externe) begeleiding verbetering in de situatie van het kind mogelijk was. Verder heeft de ondernemer geen waarschuwing gegeven, waaruit bleek dat herhaling van het gedrag mogelijk tot gevolg kon hebben dat de overeenkomst werd beëindigd. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
De commissie merkt daarbij op dat de consument heeft ingestemd met de opzegging van de overeenkomst en zelf inmiddels een alternatieve BSO-voorziening heeft getroffen. Dit brengt mee dat de gegrondverklaring van de klacht geen gevolgen heeft voor de beëindiging van de overeenkomst.
Ter zitting heeft de ondernemer toegezegd dat bij een eventuele heraanmelding van de consument voor wat betreft de VSO de situatie na verloop van tijd opnieuw zal worden beoordeeld.
Nu de klacht gegrond is, bepaalt de commissie dat de ondernemer het door de consument betaalde klachtengeld aan haar dient te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer het door de consument betaalde klachtengeld van € 25, — aan haar dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 17 juni 2026.
mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans
Datum verzending : 16 juli 2026
Zaaknummer : 1335245/1339068