Commissie: Kinderopvang
Categorie: Opzegging overeenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1343269/1344795
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een geschil tussen een ouder en een kinderopvangorganisatie over de beëindiging van een overeenkomst voor buitenschoolse opvang. De ondernemer stelde dat de zoon van de consument gedurende langere tijd gedrag vertoonde dat veel individuele begeleiding vereiste en belastend was voor andere kinderen en medewerkers. Volgens de consument was de situatie minder ernstig dan door de ondernemer werd voorgesteld en waren er nog mogelijkheden voor extra begeleiding, onder meer via een externe organisatie. De Geschillencommissie stelt vast dat de ondernemer gedurende een lange periode verschillende maatregelen heeft genomen om de opvang voort te zetten, zoals extra begeleiding, aangepaste begeleiding op de groep en samenwerking met externe hulpverleners. Ook zijn zorgen en incidenten uitgebreid vastgelegd en besproken met de consument. Hoewel de commissie vindt dat de ondernemer eerder duidelijk had moeten communiceren over de resultaten van een eerder begeleidingstraject, oordeelt zij dat vanaf 2026 zorgvuldig is gehandeld. De ondernemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de ondersteuningsbehoefte van het kind de mogelijkheden van een reguliere buitenschoolse opvang overstijgt en dat voortzetting van de opvang niet langer verantwoord was. Daarom is sprake van een gegronde reden voor beëindiging van de overeenkomst. De klacht van de consument wordt ongegrond verklaard.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de eenzijdige opzegging van de overeenkomst vanwege het gedrag van de zoon van de consument.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 3 juni 2026 is de BSO-overeenkomst voor de zoon van de consument op de dinsdag en donderdag, eenzijdig opgezegd door de ondernemer. Vanaf 17 juli 2026 is haar zoon niet meer welkom op de BSO. De reden zou zijn dat de zoon van de consument een risico vormt voor de veiligheid of het welzijn van anderen, dan wel dat hij de opvang van andere kinderen onevenredig belemmert of verzwaart.
De consument is het hiermee niet eens. Volgens de consument is geen sprake van onveilig gedrag, althans niet in de mate die de ondernemer beschrijft. De consument heeft vertrouwen in de opvang en haar zoon heeft het daar naar zijn zin.
De consument wil dan ook graag voortzetting van de opvang. Hierbij kan [organisatie] bieden. [organisatie] is al eerder betrokken geweest, met volgens de consument positief effect. Ook staat de consument open voor een andere opvangdag dan de dinsdag, nu de dinsdag een drukke opvangdag is.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Reeds in oktober 2024 heeft een formeel oudergesprek plaatsgevonden, omdat de zoon van de consument andere kinderen pijn deed, spullen beschadigde, voortdurend conflicten veroorzaakte, niet luisterde naar aanwijzingen van medewerkers, vrijwel voortdurend individuele begeleiding nodig had en problemen had rondom zindelijkheid.
Gedurende de gehele opvangperiode heeft ondernemer actief samengewerkt met ouders en externe hulpverleners. Op de BSO zijn onder andere de volgende maatregelen ingezet: kleine groepjes, vaste begeleiders, extra toezicht, individuele begeleiding, aangepaste structuur en intensieve overdracht aan ouders. De ondernemer heeft hiermee aanzienlijk meer ondersteuning geboden dan binnen een reguliere BSO gebruikelijk is.
In tegenstelling tot hetgeen namens de consument wordt gesteld, was geen sprake van incidenteel of beperkt gedrag. De andere kinderen op de groep reageerden zichtbaar op het gedrag. Vanaf eind 2025 verslechterde het gedrag van de zoon van de consument opnieuw aanzienlijk. Omdat de ondernemer wist dat ouders midden in een echtscheidingssituatie zaten, is niet direct een nieuw formeel gesprek gepland. De ondernemer hoopte dat de situatie zou stabiliseren zodra de gezinssituatie rustiger werd. Ondertussen vonden wel dagelijks overdrachten plaats waarin de consument werd geïnformeerd over de incidenten en zorgen. Toen bleek dat de situatie niet verbeterde, heeft de ondernemer opnieuw een formeel gesprek georganiseerd.
Tijdens het gesprek op 12 februari 2026 is aangegeven dat de situatie ernstig was en dat voortzetting van opvang niet vanzelfsprekend was wanneer geen verbetering zou optreden. Ook is afgesproken dat de consument haar zoon eerder zouden ophalen om overprikkeling te beperken en de veiligheid op de groep beter te kunnen waarborgen.
Op 24 februari 2026 heeft een medewerker van [organisatie] de zoon van de consument geobserveerd op de BSO. Tijdens deze observatie liet de zoon van de consument opvallend aangepast gedrag zien. Desondanks heeft de observator alsnog gezien dat hij een ander kind pijn deed. Daarnaast heeft de observator aangegeven te herkennen dat ondernemer reeds zeer veel aanpassingen had gedaan om opvang mogelijk te maken. Dit bevestigt dat de zorgen van ondernemer niet op zichzelf stonden.
Op 2 maart 2026 heeft de ondernemer een officiële waarschuwing afgegeven aan de consument over de onhoudbaarheid van de opvang. Ook na deze waarschuwing bleef sprake van incidenten, zo blijkt uit de mentorverslagen.
Naast het veiligheidsrisico zorgde de uitvoering van de opvang ook voor een onevenredige belasting van medewerkers. De ondernemer heeft moeten constateren dat de ondersteuningsbehoefte van de zoon van de consument structureel groter is dan wat binnen een reguliere BSO verantwoord geboden kan worden. Ook indien verbetering optreedt, blijft de noodzakelijke mate van begeleiding naar verwachting de mogelijkheden van een reguliere BSO overstijgen. Eerdere begeleiding door [organisatie] heeft geen structurele oplossing gebracht.
De beëindiging van de overeenkomst voldoet daarom aan artikel 10 lid 2 sub b van de toepasselijke algemene voorwaarden.
Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
De ondernemer heeft zich beroepen op de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2025 (hierna te noemen: Algemene voorwaarden). meer specifiek op artikel 6 lid 3 sub b onder iii, waaruit volgt dat de ondernemer slechts bevoegd is de overeenkomst op te zeggen op grond van een gegronde reden. Als gegronde reden wordt in ieder geval aangemerkt de omstandigheid zoals genoemd in artikel 10 lid 2 sub b onder i, waarin staat dat het kind en/of de ouder een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke en/of lichamelijke veiligheid van anderen.
Opzegging vindt plaats met inachtneming van de opzegtermijn, door middel van een aan de consument gerichte schriftelijke verklaring. De ondernemer motiveert de opzegging.
Conform eerdere jurisprudentie merkt de commissie een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst aan als een toekomstige weigering van de toegang tot de opvang. Dit betekent dat de bepalingen, die zien op de weigering van de toegang (in dit geval artikel 10 van de Algemene voorwaarden), van overeenkomstige toepassing zijn op dit geschil. Hieruit volgt dat een consument, die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de overeenkomst eenzijdig per 17 juli 2026 te beëindigen, een verkorte procedure bij de commissie kan starten, zoals in dit geval is gebeurd.
Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of in het onderhavige geschil sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.
Zwaarwegende reden en wijze van opzegging
Tussen partijen is niet in geschil dat de zoon van de consument gedurende langere tijd gedrag heeft vertoond dat binnen de opvangsituatie moeilijk hanteerbaar was en dat hij daarvoor zowel thuis als binnen de opvang intensieve begeleiding en behandeling heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat de ondernemer gedurende een aanzienlijke periode inspanningen heeft verricht om voortzetting van de opvang mogelijk te maken. De commissie stelt vast dat de door de ondernemer ingezette maatregelen uiteindelijk niet tot het beoogde resultaat hebben geleid.
De ondernemer heeft naar het oordeel van de commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van de zoon van de consument structureel belastend is voor de andere kinderen en voor de pedagogisch professionals. Daarbij acht de commissie van belang dat de ondernemer haar standpunt heeft onderbouwd met een omvangrijke hoeveelheid interne verslaglegging en mentorregistraties waarin gedragingen, incidenten en zorgen zijn vastgelegd. Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat sprake is van een zwaarwegende reden die beëindiging van de opvangovereenkomst rechtvaardigt.
De commissie stelt verder vast dat in 2025 [organisatie] bij de opvang is betrokken en dat de zoon van de consument gedurende enkele uren per week individuele begeleiding heeft ontvangen. Dit traject is in april 2025 afgesloten met een positieve eindrapportage door de begeleider van [organisatie], waarin is vermeld dat de ondernemer beter met het gedrag van het kind kon omgaan en dat bij het kind sprake was van een positieve ontwikkeling.
De consument heeft pas maanden na afronding van dit traject vernomen dat de ondernemer zich niet kon vinden in de bevindingen en uitkomsten van deze begeleiding. Naar het oordeel van de commissie had het op de weg van de ondernemer gelegen om eventuele onvrede over het verloop of de resultaten van het traject eerder en explicieter met de consument te delen. Daarbij acht de commissie mede van belang dat de ondernemer niet inhoudelijk heeft gereageerd op de positieve eindrapportage. Hierdoor zijn bij partijen verschillende verwachtingen ontstaan over de betekenis en effectiviteit van de ingezette begeleiding. Tegen deze achtergrond acht de commissie het begrijpelijk dat het standpunt van de ondernemer om niet langer met [organisatie] samen te werken voor de consument onverwacht is gekomen en moeilijk te volgen was.
Van een professionele kinderopvangorganisatie mag worden verwacht dat zij in een dergelijk traject transparant communiceert en tijdig duidelijkheid verschaft over haar beoordeling van ingezette ondersteuning en vervolgstappen.
Desalniettemin is de commissie van oordeel dat de ondernemer vanaf 2026 zorgvuldig heeft gehandeld in de wijze waarop zij de consument heeft betrokken bij de ontstane situatie. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht volgt dat de ondernemer aanvankelijk ruimte heeft geboden voor stabilisatie van de situatie en niet direct tot ingrijpende maatregelen is overgegaan. Daarnaast hebben veel gesprekken met de consument plaatsgevonden waarin zorgen over het gedrag van haar zoon zijn besproken.
Verder blijkt dat incidenten en zorgen gedurende langere tijd zijn gedocumenteerd in mentorberichten en dat het merendeel daarvan ook met de consument is besproken tijdens overdrachtsmomenten.
Toen de ondernemer tot de conclusie kwam dat reguliere opvang niet langer haalbaar was, is eerst een schriftelijke waarschuwing gegeven. Dit heeft echter niet tot het gewenste effect geleid. Vervolgens heeft de ondernemer bij de daadwerkelijke beëindiging van de overeenkomst rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, door een ruimere opzegtermijn te hanteren in verband met het einde van het schooljaar.
Ten aanzien van de klacht van de consument dat signalen of klachten van andere ouders niet met haar zijn gedeeld, overweegt de commissie dat het begrijpelijk is dat de ondernemer terughoudend is geweest met het verstrekken van dergelijke informatie. Ook indien de klachten geanonimiseerd aan de consument zouden zijn verstrekt, bestaat het risico dat betrokkenen alsnog herleidbaar zouden zijn.
Op grond van al het bovenstaande is de commissie van oordeel dat de handelwijze en communicatie van de ondernemer in deze fase zorgvuldig zijn geweest. Derhalve is de klacht ongegrond.
Conclusie
De klacht van de consument is ongegrond. Hieruit volgt dat opvangovereenkomst niet ongewijzigd in stand kan blijven of dat voortzetting van de opvang alsnog van de ondernemer kan worden verlangd.
In het licht van de intensieve begeleidings- en ondersteuningsbehoefte van de zoon van de consument en het feit dat gedurende langere tijd uiteenlopende vormen van begeleiding en ondersteuning zijn ingezet zonder het gewenste resultaat, is de commissie gebleken dat geen sprake is van een duurzame en werkbare opvangsituatie. De ondernemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de behoefte van de zoon van de consument de mogelijkheden van een reguliere kinderopvang overstijgt.
De commissie acht daarbij van belang dat niet is gebleken dat nog reële alternatieve mogelijkheden bestonden om binnen de bestaande opvangsetting, met aanvullende maatregelen of begeleiding, tot een stabiele en verantwoorde voortzetting van de opvang te komen.
Onder deze omstandigheden acht de commissie het niet aangewezen dat de zoon van de consument naar de opvang terugkeert.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. L. Verheij, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, de heer drs. H. Grachten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 25 juni 2026.