Kinderopvang mocht overeenkomst niet zomaar beëindigen. Sprake van onvolledige dossiervorming

  • Home >>
  • Kinderopvang >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Opzegging overeenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1346763/1347402

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een geschil tussen een ouder en een kinderopvangorganisatie over de eenzijdige beëindiging van een opvangovereenkomst. De ondernemer stelde dat de zoon van de consument extra zorg nodig had die de opvang niet kon bieden en dat zijn gedrag de opvang van andere kinderen belemmerde. Daarom werd besloten de overeenkomst te beëindigen. De consument vond dat deze beslissing niet volgens de regels was genomen en dat onvoldoende rekening was gehouden met de belangen van haar kind. De Geschillencommissie oordeelt dat de ondernemer zich wel heeft ingespannen om passende opvang te bieden en daarbij deskundige hulp heeft ingeschakeld, maar dat de organisatie onvoldoende heeft vastgelegd welke zorgen, gesprekken en afspraken er waren geweest. Hierdoor kon de commissie niet controleren of er daadwerkelijk een gegronde reden bestond om de overeenkomst te beëindigen. Ook ontbrak een duidelijke schriftelijke motivering van de opzegging en kon niet worden vastgesteld dat de consument vooraf correct was gewaarschuwd. Omdat de ondernemer zich niet aan de vereiste procedure heeft gehouden, verklaart de commissie de klacht gegrond. De opvangovereenkomst blijft daarom in stand en de consument moet weer op de gebruikelijke manier gebruik kunnen maken van de opvang. Daarnaast moet de ondernemer het klachtengeld van € 25,- vergoeden.

 

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst door de ondernemer, vanwege gedragsproblemen van de zoon van de consument.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De klacht heeft betrekking op de eenzijdige beëindiging van de kinderopvangovereenkomst.

De consument stelt zich op het standpunt dat de eenzijdige beëindiging niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en in strijd is met de tussen partijen gesloten kinderopvangovereenkomst, de daarop van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden, de aanvullende voorwaarden van de ondernemer en de eisen van redelijkheid en billijkheid.

De ondernemer heeft de overeenkomst beëindigd zonder een deugdelijk gemotiveerde schriftelijke opzegging, zonder een zorgvuldig besluitvormingsproces te volgen en zonder voldoende rekening te houden met de belangen van het kind van de consument. Daarnaast heeft de ondernemer nagelaten om, overeenkomstig de toepasselijke voorwaarden, gezamenlijk met de consument te zoeken naar een passende oplossing alvorens tot beëindiging van de opvang over te gaan.

De consument verzoekt de commissie daarom te oordelen dat de beëindiging van de kinderopvangovereenkomst onrechtmatig is en dat de overeenkomst in stand dient te blijven totdat een passend alternatief gevonden is.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De consument was in ieder geval vanaf april 2026 op de hoogte van het feit dat sprake was van problematiek bij haar zoon. De ondernemer heeft getracht de zoon van de consument op te vangen en geprobeerd te achterhalen waarom hij zich op deze wijze gedraagt, in de hoop passende opvang te kunnen aanbieden. Daarbij is externe professionele hulp ingeschakeld en zijn vele gesprekken gevoerd met de ouders.

Al vanaf januari 2026 is met de consument besproken dat zij er rekening mee dient te houden dat haar zoon de reguliere opvang zal moeten verlaten. Zowel in het gesprek van 17 maart 2026 als in het gesprek van 21 april 2026 is uitgebreid met de ouders gesproken waarom de opvangovereenkomst beëindigd moet worden: ten eerste overstijgt de zorgbehoefte van het kind hetgeen de ondernemer kan bieden en ten tweede zorgt de aanwezigheid van het kind ervoor dat de opvang van andere kinderen wordt belemmerd.

De ondernemer heeft (nadat zij in april 2026 heeft geconcludeerd dat de zoon van de consument niet langer opgevangen kon worden) de opvang nog ruim twee maanden voortgezet. De orthopedagoog heeft getracht een andere opvangplek te vinden voor de zoon van de consument. Dit is helaas niet gelukt.

De ondernemer is transparant geweest in de zorgen rondom het gedrag van de zoon van de consument en heeft deze zorgen altijd met de consument gedeeld. Wel was het beter geweest de motivering van de opzegging alsnog schriftelijk vast te leggen.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De ondernemer heeft zich beroepen op de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2025 (hierna te noemen: Algemene voorwaarden), meer specifiek op artikel 6 lid 3 sub b onder iii, in samenhang met artikel 10 lid 2 sub a en sub b, waaruit volgt dat de ondernemer slechts bevoegd is de overeenkomst op te zeggen op grond van een gegronde reden. Als gegronde reden wordt in ieder geval aangemerkt de omstandigheid dat het kind een extra verzorgingsbehoefte heeft die de overeengekomen zorg overschrijdt of die de ondernemer feitelijk niet kan verlenen en de situatie dat het kind de dienstverlening van de ondernemer aan (de kinderen van) andere ouders belemmert of onevenredig verzwaart.

Opzegging vindt plaats met inachtneming van de opzegtermijn, door middel van een aan de consument gerichte schriftelijke verklaring. De ondernemer motiveert de opzegging.

Conform eerdere jurisprudentie merkt de commissie een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst aan als een toekomstige weigering van de toegang tot de opvang.
Dit betekent dat de bepalingen, die zien op de weigering van de toegang (in dit geval artikel 10 van de Algemene voorwaarden), van overeenkomstige toepassing zijn op dit geschil.

Hieruit volgt dat een consument, die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, een verkorte procedure bij de commissie kan starten, zoals in dit geval is gebeurd.

Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of in het onderhavige geschil sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.

Is sprake van een gegronde reden?
De ondernemer heeft aangevoerd dat reeds vanaf eind 2025 zorgen bestonden over het gedrag en de ontwikkeling van de zoon van de consument. Volgens de ondernemer heeft het kind nauwelijks interactie met andere kinderen, kan hij niet spreken en vertoont hij grensoverschrijdend gedrag door andere kinderen in het gezicht te pakken. De ondernemer stelt hierover meerdere gesprekken met de consument te hebben gevoerd en daarnaast de ondersteuning van een orthopedagoog te hebben ingeschakeld. Deze inspanningen hebben volgens de ondernemer niet geleid tot een zodanige verbetering dat voortzetting van de opvang binnen de reguliere kinderopvang verantwoord was.

Vaststaat dat de ondernemer zich heeft ingespannen om de opvang van het kind te continueren en daarbij externe deskundigheid heeft betrokken. Ook staat niet ter discussie dat het gedrag en de ontwikkeling van de zoon van de consument aanleiding geven tot zorg. Dat neemt echter niet weg dat op de ondernemer de verantwoordelijkheid rust de relevante feiten en de met de consument gevoerde gesprekken zorgvuldig vast te leggen.

Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer nagelaten een deugdelijk dossier op te bouwen. Van de gesprekken tussen de ondernemer en de consument zijn geen gespreksverslagen overgelegd of is andere schriftelijke documentatie in het geding gebracht. Daardoor kan de commissie niet vaststellen welke zorgen met de consument zijn besproken, welke afspraken zijn gemaakt en of de consument is gewezen op de mogelijke consequenties voor de opvangovereenkomst. Dit klemt te meer nu de consument heeft betwist dat zij eerder bekend was met verschillende door de ondernemer genoemde incidenten en zorgen.

De ondernemer heeft erkend dat van de gesprekken geen verslaglegging heeft plaatsgevonden, omdat de gesprekken in goed vertrouwen werden gevoerd. De commissie is van oordeel dat deze werkwijze onvoldoende zorgvuldig is. De ondernemer heeft dit ter zitting ook erkend. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat het ontbreken van schriftelijke verslaglegging niet in overeenstemming is met stap 3 van het door de ondernemer gehanteerde Protocol opvallend gedrag.

Gelet op het ontbreken van een deugdelijke dossiervorming kan de commissie niet vaststellen dat sprake was van zodanige omstandigheden dat de ondernemer gerechtigd was de opvangovereenkomst eenzijdig te beëindigen.

Aan verklaringen van medewerkers die pas in het kader van de onderhavige geschillenprocedure zijn opgesteld, kent de commissie geen bewijskracht toe. Deze verklaringen zijn na de beëindiging van de opvangovereenkomst en nadat het geschil was ontstaan opgesteld en kunnen daarom niet dienen ter onderbouwing van feiten en omstandigheden die ten tijde van de besluitvorming hadden behoren te zijn vastgelegd in het dossier.

In zoverre is de klacht van de consument gegrond.

Wijze van opzegging
Conform artikel 6 lid 4 van de Algemene voorwaarden dient een ondernemer een opzegging schriftelijk te motiveren.

Naar het oordeel van de commissie is ook hieraan niet voldaan. Vaststaat dat de consument uitsluitend een summiere opzeggingsmail heeft ontvangen, waarin de beëindiging van de opvang feitelijk werd medegedeeld, zonder nadere inhoudelijke motivering. De ondernemer heeft ook erkend dat hierin niet zorgvuldig is gehandeld.

Ook kan de commissie, gelet op de ontbrekende dossiervoering, niet vaststellen dat de ondernemer conform de Algemene Voorwaarden de consument schriftelijk heeft gewaarschuwd.

In zoverre is de klacht van de consument gegrond.

Conclusie en klachtengeld
De klacht van de consument wordt in het geheel gegrond verklaard.

Nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige opzegging van de plaatsingsovereenkomst rechtvaardigt, blijft de plaatsingsovereenkomst van de consument ongewijzigd in stand. De consument dient dan ook op de gebruikelijke wijze gebruik te kunnen blijven maken van de opvang van de ondernemer.

De commissie gaat ervanuit dat beide partijen zich coöperatief zullen blijven opstellen in het belang van het kind, waar mogelijk met aanvullende (externe) begeleiding.

Aangezien de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat de consument op gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen blijven maken van
de opvang van de ondernemer;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr.
S.M.E. Balfoort, secretaris, op 14 juli 2026.

 

Opslaan als PDF