Kinderopvang mocht wendagen factureren, maar niet meer uren dan afgenomen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Kosten    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1314043/1330713

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een geschil tussen een ouder en een kinderopvangorganisatie over de kosten van twee wendagen voorafgaand aan de start van de opvang van het kind. De ouder vond dat de kinderopvang ten onrechte kosten in rekening had gebracht en stelde dat de afgesproken startdatum van 1 juli 2025 zonder toestemming was vervroegd naar 25 juni 2025. Ook was de ouder het er niet mee eens dat voor twee wendagen in totaal 18,7 uur opvang werd gefactureerd, terwijl het kind slechts 8 uur aanwezig was geweest. De kinderopvang voerde aan dat de wendagen in overleg waren gepland, dat was besproken dat hiervoor betaald moest worden en dat volgens het interne beleid volledige dagopvang wordt gefactureerd. De Geschillencommissie oordeelt dat de ouder wist of had moeten begrijpen dat aan de wendagen kosten waren verbonden, omdat hierover vooraf was gesproken en daadwerkelijk gebruik van de opvang was gemaakt. De commissie vindt echter dat de kinderopvang onvoldoende duidelijk heeft uitgelegd dat voor de wendagen volledige opvangdagen zouden worden gefactureerd, ongeacht het werkelijke aantal uren. Omdat hierover geen duidelijke afspraken waren gemaakt, acht de commissie het redelijk om alleen de daadwerkelijk afgenomen opvanguren in rekening te brengen. Daarom moet de ouder € 90,- betalen voor 8 uur opvang en kan de kinderopvang geen aanspraak maken op het resterende deel van de gefactureerde kosten. De klacht wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de kinderopvang moet het klachtengeld van € 25,- aan de consument vergoeden.

 

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de vraag of de consument gehouden is tot betaling van door de ondernemer in rekening gebrachte kosten voor de zogenoemde wendagen in verband met de opvang van de zoon van de consument.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument stelt dat de ondernemer onterecht kosten in rekening heeft gebracht voor de wendagen en weigert deze te betalen.

Volgens de consument heeft de ondernemer zonder instemming de ingangsdatum van de opvangovereenkomst eenzijdig gewijzigd van 1 juli 2025 naar 25 juni 2025. Daarnaast heeft de ondernemer volgens de consument 18,7 uur in rekening gebracht voor twee wendagen (in de periode voorafgaand aan 1 juli 2025), terwijl op die dagen in totaal slechts 8 uur opvang is afgenomen. Dit betreft een bedrag van € 210,38.

De consument voert aan dat vooraf geen informatie is verstrekt over de kosten van de wendagen en dat, ondanks herhaald contact per e-mail, geen duidelijke uitleg is gegeven over de wijze van facturering. Volgens de consument bieden de algemene voorwaarden geen grondslag voor het in rekening brengen van wendagen of voor het eenzijdig wijzigen van de ingangsdatum van de opvangovereenkomst. De wendagen vallen volgens de consument niet onder de door hem ondertekende opvangovereenkomst met ingangsdatum van 1 juli 2025.

Verder stelt de consument dat de ondernemer de wendagen niet heeft ingepland en dat de consument zelf contact heeft moeten opnemen om de wenmomenten af te stemmen. Ook voert de consument aan dat de ondernemer in de communicatie niet transparant is geweest en de consument heeft verwezen naar de algemene voorwaarden zonder een inhoudelijke toelichting te geven.

Daarnaast stelt de consument dat de automatische incasso niet correct is verlopen en dat vervolgens, na enige tijd, onterecht aanmaningen en dreigbrieven zijn ontvangen voor een bedrag dat hoger is dan de daadwerkelijk afgenomen uren.

De consument concludeert dat de kosten voor de wendagen onterecht en onredelijk zijn en weigert deze te betalen. De consument verzoekt de commissie om de facturen en aanmaningen die betrekking hebben op de wendagen door de ondernemer in te laten trekken en dit schriftelijk te laten bevestigen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer stelt dat er geen sprake is van een eenzijdige wijziging van de ingangsdatum van de opvangovereenkomst. Volgens de ondernemer is de aanpassing van de ingangsdatum naar 25 juni 2025 telefonisch met de consument besproken en dus overeengekomen tussen de consument en de ondernemer. Aanleiding hiervoor was dat de oorspronkelijke startdatum van 1 juli 2025 niet haalbaar was in combinatie met het aantal wendagen en werkverplichtingen van de consument.

Volgens de ondernemer bevestigt het feit dat vanaf 25 juni 2025 daadwerkelijk gebruik is gemaakt van de opvang dat er overeenstemming bestond over de ingangsdatum. De ondernemer voert aan dat zij wettelijk verplicht is de feitelijke startdatum en de bijbehorende uren door te geven aan de Belastingdienst en dat de registratie van 25 juni 2025 ertoe leidt dat de ouders over deze periode recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Ten aanzien van de wendagen stelt de ondernemer dat deze plaatsvinden volgens het bij de ondernemer geldende beleid. Dit houdt in dat normaliter drie wendagen worden toegepast. Volgens de ondernemer is op 20 juni 2025 telefonisch aan de consument toegelicht hoe deze wendagen worden ingevuld. Omdat de consument hiermee niet kon instemmen, is na intern overleg en in afstemming met de consument besloten af te wijken van het beleid en twee wendagen in te plannen in plaats van drie, met ingang van 25 juni 2025. De ondernemer stelt dat wendagen essentieel zijn voor het kind en dat in dit geval uit coulance is afgeweken van het geldende beleid.

Ten aanzien van de facturering voert de ondernemer aan dat wendagen als volledige dagopvang in rekening worden gebracht, omdat een kind tijdens de wenperiode meetelt voor de beroepskracht-kindratio (BKR). Volgens de ondernemer wordt de BKR berekend op basis van het feitelijke aantal aanwezige kinderen, ongeacht de duur van de opvang. De GGD houdt hier toezicht op.

Daarnaast stelt de ondernemer dat de ouders al sinds 2022 gebruik maken van de diensten van de ondernemer en dat de consument gedurende meerdere jaren lid is geweest van de oudercommissie, waarin onder meer het wenbeleid is besproken. Volgens de ondernemer is het daarom onbegrijpelijk dat het beleid niet bekend zou zijn bij de consument.

De ondernemer voert verder aan dat het standpunt van de consument tegenstrijdig is, omdat enerzijds gesteld wordt dat geen er opvangovereenkomst met ingangsdatum 25 juni 2025 bestaat, terwijl anderzijds wel gebruik is gemaakt van de opvang door de ondernemer vanaf die datum. Volgens de ondernemer vallen de wendagen binnen de met de consument gesloten overeenkomst en is een rechtsgeldige overeenkomst vereist om opvang te mogen bieden, ook tijdens de wenperiode.

Tot slot stelt de ondernemer dat, nu de opvang feitelijk is gestart op 25 juni 2025, factureren vanaf die datum noodzakelijk is, onder meer in verband met de gemaakte kosten en personele inzet.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij met elkaar een opvangovereenkomst hebben gesloten voor de zoon van de consument. Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van deze overeenkomst. De ondernemer stelt dat de opvangovereenkomst feitelijk is ingegaan op 25 juni 2025, terwijl de consument uitgaat van een ingangsdatum van 1 juli 2025. Dit verschil van inzicht hangt direct samen met de vraag vanaf welk moment voor de consument een betalingsverplichting is ontstaan.

De commissie stelt vast dat de door partijen ondertekende opvangovereenkomst uitgaat van een ingangsdatum van 1 juli 2025. Het geschil spitst zich toe op de vraag of, en zo ja in welke omvang, kosten verschuldigd zijn voor de opvangmomenten voorafgaand aan deze datum, te weten de zogenoemde wendagen op 25 en 27 juni 2025.

Voor deze periode is geen schriftelijke, door beide partijen ondertekende, overeenkomst overgelegd waaruit een eerdere ingangsdatum blijkt. Dat neemt niet weg dat tussen partijen feitelijk wel afspraken zijn gemaakt over de opvangmomenten (wendagen) vóór 1 juli 2025.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen in aanloop naar de start van de opvang telefonisch contact hebben gehad over de plaatsing van de zoon van de consument. In dat kader is besproken dat het gebruikelijke traject van drie wenmomenten ertoe zou leiden dat de eerste volledige opvangdag pas op een later moment in juli zou plaatsvinden, hetgeen voor de consument niet werkbaar was. Vervolgens is in afstemming met de consument afgesproken om het wenproces aan te passen, in die zin dat de wendagen eerder dan 1 juli 2025 zouden plaatsvinden, namelijk op 25 en 27 juni 2025, en dat het aantal wenmomenten zou worden beperkt tot twee in plaats van drie.

De commissie stelt voorts vast dat in dit voorafgaande contact is besproken dat voor de wendagen betaald moest worden. Dit volgt expliciet uit de e-mail van de consument aan de ondernemer van 1 oktober 2025 om 11:30 uur, onder punt 2, waarin de consument erkent dat is meegedeeld dat voor de wendagen betaald moest worden, zij het zonder nadere uitleg over de omvang daarvan.

Vaststaat dat de consument op basis van deze afspraken gebruik heeft gemaakt van de diensten van ondernemer en dat de zoon van consument op 25 en 27 juni 2025 aanwezig is geweest op de opvanglocatie, gedurende respectievelijk drie uur en vijf uur, in totaal acht uur.

De commissie is van oordeel dat de voorafgaande afstemming, het daadwerkelijk gebruik van de wendagen en de verklaring van de consument in de hiervoor genoemde e-mail in onderlinge samenhang bezien meebrengen dat de consument wist, althans redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat aan de afgenomen wendagen kosten verbonden waren. De betalingsverplichting van de consument staat daarmee in beginsel vast.
Daarmee staat echter nog niet vast wat de omvang van deze betalingsverplichting is. Het resterende geschilpunt ziet op de vraag of de ondernemer voor de wendagen volledige dagopvang (18,7 uur) mocht factureren, dan wel slechts de daadwerkelijk afgenomen uren in rekening mag brengen.

De commissie stelt vast dat tussen partijen geen concrete afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop de wendagen zouden worden gefactureerd. In de door partijen overgelegde stukken is hierover niets opgenomen. Evenmin is gebleken dat de ondernemer voorafgaand aan de opvang duidelijk heeft gecommuniceerd dat deze momenten zouden worden gefactureerd op basis van volledige dagopvang, dat wil zeggen een vast aantal uren per dag, ongeacht het daadwerkelijk aantal afgenomen uren.

De ondernemer heeft ter zitting toegelicht dat de facturatie plaatsvindt via een softwaresysteem dat standaard uitgaat van volledige dagopvang en geen rekening houdt met het daadwerkelijk aantal afgenomen uren. De commissie acht dit niet doorslaggevend, nu de uit dat softwaresysteem voortvloeiende wijze van factureren niet vooraf duidelijk aan de consument is meegedeeld en niet met hem is overeengekomen. Dit is een omstandigheid die voor rekening en risico van de ondernemer komt.

De commissie overweegt daarbij dat het binnen de kinderopvangbranche niet ongebruikelijk is dat voor wendagen kosten in rekening worden gebracht, maar dat de wijze waarop dit gebeurt per kinderopvangorganisatie kan verschillen. Daarom rust op de ondernemer de verplichting om hierover vooraf duidelijkheid te verschaffen. Nu deze duidelijkheid ontbreekt, acht de commissie het redelijk om voor de omvang van de betalingsverplichting aan te sluiten bij de daadwerkelijk afgenomen uren. Daarover bestaat tussen partijen geen discussie.

De commissie stelt vast dat gedurende de wendagen in totaal acht uur aan opvang is afgenomen. De daarvoor verschuldigde vergoeding bedraagt € 90,- (8 uur x € 11,25 per uur).

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gedeeltelijk gegrond;
– bepaalt dat de consument voor de twee wendagen een bedrag van € 90,- aan de ondernemer verschuldigd is en dat de ondernemer voor het overige geen aanspraak kan maken op betaling van de in rekening gebrachte kosten voor de wendagen;
– wijst het meer of anders gevorderde af;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie aan de consument het door de consument betaalde klachtengeld van € 25,- dient te vergoeden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. W. Bruins, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, mevrouw mr. M. Stroetenga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. T. Var, secretaris, op 13 april 2026.

 

Opslaan als PDF