Klacht deels gegrond wegens informatievoorziening aan ouder en bijdrage aan raadsonderzoek

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: deels gegrond   Referentiecode: 1334713/1346086

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een moeder klaagde over de manier waarop een kinderopvangorganisatie was omgegaan met zorgelijke signalen rondom haar kinderen, de toepassing van de Meldcode, de informatievoorziening aan beide ouders, de dossiervorming en de informatie die aan de Raad voor de Kinderbescherming was verstrekt. De commissie oordeelde dat de ondernemer niet verplicht was de Meldcode verder toe te passen en dat ook van onzorgvuldige dossiervorming niet was gebleken. Wel had de ondernemer de moeder beter moeten informeren over afspraken die met de vader waren gemaakt en was de informatieverstrekking aan de Raad onvoldoende duidelijk en transparant, waardoor deze voor meerdere uitleggen vatbaar was. De klacht werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de wijze waarop de ondernemer is omgegaan met terugkerende zorgelijke signalen, de toepassing van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna te noemen: de Meldcode), de betrokkenheid van beide ouders en de dossiervorming door de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De kinderen van de consument worden sinds 16 april 2021 respectievelijk 1 juni 2021 opgevangen op de buitenschoolse opvang van de ondernemer. De consument heeft een viertal klachten geformuleerd:

  1. Het niet aantoonbaar hanteren van het stappenplan van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en onvoldoende structurele en zorgvuldige aanpak bij terugkerende zorgelijke signalen;
  2. Onvoldoende transparantie en betrokkenheid van beide gezaghebbende ouders ten aanzien van (het maken van afspraken die betrekking hebben op) de kinderen;
  3. Onvoldoende zorgvuldige en volledige dossiervorming en inzage in het dossier en onvoldoende medewerking verlenen aan rectificatie van feitelijk onjuiste informatie in het dossier;
  4. Onvoldoende transparantie en tegenstrijdige verklaringen van de ondernemer tijdens het raadsonderzoek.

Ad. 1
De vader van de kinderen is meermaals onverwacht en op een voor de kinderen op onplezierige wijze bij de BSO verschenen. De kinderen raken hier emotioneel door van slag. De ondernemer heeft aangegeven deze incidenten geregistreerd te hebben en gesprekken te hebben gevoerd met de vader van de kinderen. De consument heeft echter niet kunnen vaststellen dat de ondernemer dit heeft gedaan. Dit blijkt niet uit het door haar opgevraagde dossier. Het is voor de consument daarmee niet inzichtelijk of het terugkerende karakter van de zorgelijke signalen door de ondernemer voldoende zijn gewogen en op welke gronden is besloten dat monitoring of het voeren van een nader gesprek met de vader toereikend is. Het belang van de kinderen lijkt onvoldoende te zijn meegewogen door de ondernemer welke stap de juiste is.

Ad. 2
De consument is door de ondernemer nimmer uitgenodigd voor een gesprek ten aanzien van de door haar gesignaliseerde zorgelijke signalen. De consument is slechts bij het ophalen van de kinderen mondeling, door de pedagogisch professionals, geïnformeerd over wat er voorgevallen was en de impact op de kinderen. De consument is evenmin (structureel) betrokken geweest bij de afspraken die de ondernemer kennelijk met de vader van de kinderen heeft gemaakt naar aanleiding van de situaties. De consument is pas uitgenodigd voor een gesprek nadat zij vragen had gesteld over de situatie en haar ongenoegen had geuit over de handelwijze van de ondernemer. Het doel van de gesprekken was gericht op de zorgen en beleving van de consument in plaats van het verschaffen van duidelijkheid en transparantie door de ondernemer over het handelen in de situatie en de in het belang van de kinderen getroffen maatregelen.

Ad. 3
De consument heeft inzage verzocht in het volledige dossier van haar beide kinderen. De consument heeft een selectie van het dossier ontvangen. In het ontvangen document wordt verwezen naar aanvullende registraties, afspraken, communicatie en mailafspraken maar die heeft de consument niet ontvangen. De consument twijfelt aan de feitelijke juistheid van een aantal vermeldingen in het dossier. Een verzoek tot rectificatie van feitelijke onjuistheden is door de ondernemer geweigerd. De ondernemer weigert ook een volledig afschrift van het dossier te verstrekken. De consument kan wel een afspraak maken om het dossier (tezamen met een pedagogische professional) in te zien. De beperkte transparantie en het gebrek aan informatie maken het voor de consument moeilijk om het handelen van de ondernemer te kunnen begrijpen en beoordelen.

Ad. 4
In 2023 heeft een onderzoek plaatsgevonden door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad). De ondernemer is benaderd om informatie te verstrekken en beide ouders hebben toestemming gegeven relevante informatie uit het dossier te delen. De zorgelijke signalen, rondom de onverwachte bezoekmomenten van de vader van de kinderen, zijn -ondanks dat deze bij de ondernemer bekend waren- niet met de Raad gedeeld. De bevindingen van de ondernemer die wel gedeeld zijn met de Raad zijn tegenstrijdig met de waarnemingen van andere betrokken professionals, zoals de school van de kinderen. De met de Raad besproken signalen en zorgen zijn door de ondernemer niet met de consument besproken. Dit levert vragen op over de consistentie en zorgvuldigheid van de wijze waarop signalen over het welzijn van de kinderen zijn geregistreerd, gewogen en gedeeld met de Raad.

De consument heeft haar klachten voorgelegd aan de ondernemer. Dit heeft echter niet tot een bevredigende oplossing geleid, zodat de consument zich genoodzaakt heeft gezien de klacht aan de commissie voor te leggen. Dat heeft geleid tot de hierboven genoemde vier klachten.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De ondernemer herkent zich niet in het beeld dat wordt geschetst dat signalen, zorgen en klachten onvoldoende serieus zouden zijn genomen of dat de organisatie onvoldoende zorgvuldig en transparant zou hebben gehandeld.

De ondernemer heeft actief en zorgvuldig op de klachten gereageerd. Ook voorafgaand aan de formele klacht was er contact tussen de consument en de ondernemer over de situatie rondom de kinderen. Er zijn gesprekken gevoerd, de situatie is intern besproken, er is gesproken met de vader van de kinderen en de ondernemer heeft overleg gehad met de schooldirecteur om te komen tot uniforme afspraken rond halen, brengen en andere praktische zaken die betrekking hebben op de kinderen. De ondernemer heeft advies ingewonnen bij Veilig Thuis over de ontstane situatie en de wijze waarop de ondernemer hierin diende te handelen. De klachten zijn serieus genomen, de ondernemer heeft gedurende langere tijd actief contact met de consument onderhouden en er is gehandeld vanuit het belang van de kinderen en binnen de professionele verantwoordelijkheid van de ondernemer.

Ad. 1
Er is geen sprake van het negeren van signalen of het niet zorgvuldig opvolgen van zorgelijke signalen. De betrokken medewerkers hebben, bij signalen die aanleiding gaven tot zorg, intern overleg gevoerd en advies ingewonnen. Er is ook advies ingewonnen bij Veilig Thuis.

De Meldcode is een professioneel afwegingskader dat organisaties ondersteunt bij het beoordelen van signalen en bepalen van passende vervolgstappen. Het toepassen van de Meldcode leidt niet automatisch tot een formele melding of een externe interventie. Signalen worden besproken, gewogen en beoordeeld, dat is ook in het geval van de kinderen van de consument gebeurd. De ondernemer heeft zorgvuldig invulling gegeven aan haar verantwoordelijkheid om signalen zorgvuldig te beoordelen en het welzijn van de kinderen centraal te stellen.

Ad. 2
De ondernemer erkent het belang van het betrekken van de beide gezaghebbende ouders bij aangelegenheden die betrekking hebben op hun kinderen. Tegelijkertijd is het een complexe situatie op het moment dat sprake is van een conflictsituatie tussen de ouders. De ondernemer heeft gehandeld vanuit het belang van de kinderen op basis van de beschikbare informatie. Er is geen partij gekozen, de ondernemer heeft er alles aan gedaan de situatie voor de kinderen veilig, stabiel en werkbaar te houden. De door de ondernemer genomen stappen laten zien dat de ondernemer heeft getracht alle relevante informatie en betrokkenen mee te nemen in de door haar gemaakte afwegingen.

Ad. 3
Er is voldaan aan de verplichtingen voor wat betreft de dossiervorming en het verstrekken van dossierinformatie. De ondernemer heeft bij de verstrekking van het dossier wel rekening gehouden met de geldende wet- en regelgeving op het gebied van privacy. Het feit dat niet alle door de consument gewenste informatie aanwezig was of is verstrekt, betekent niet dat sprake is van onzorgvuldige dossiervorming. Met betrekking tot feitelijke onjuistheid van informatie heeft de ondernemer de opmerkingen van de consument beoordeeld en hierover gecommuniceerd.

Ad. 4
De ondernemer betwist dat tijdens het onderzoek van de Raad bewust onjuiste, onvolledige of tegenstrijdige informatie is verstrekt. De informatie die is verstrekt is gebaseerd op eigen waarnemingen, interne registraties, gesprekken met betrokkenen en professionele inschattingen die beschikbaar waren. De ondernemer heeft gehandeld vanuit haar verantwoordelijkheid om feitelijke informatie te delen waar door de Raad om werd verzocht. Dat situaties verschillend worden ervaren of geïnterpreteerd betekent niet dat sprake is van onjuiste of tegenstrijdige informatieverstrekking. De ondernemer heeft naar beste weten gehandeld.

Conclusie
De ondernemer is van mening dat uit de overgelegde correspondentie, de gevoerde gesprekken, de ingewonnen adviezen en verstrekte informatie blijkt dat de organisatie zorgvuldig heeft gehandeld, de signalen van de consument serieus heeft genomen en gedurende en lagere periode actief heeft ingezet op overleg, afstemming en informatievoorziening.
Er zijn zowel voorafgaand als tijdens de behandeling van de formele klacht pogingen gedaan om met de consument in gesprek te gaan. De consument heeft geen gebruik gemaakt van de verschillende uitnodigingen tot gesprek en heeft ervoor gekozen de communicatie schriftelijk te voeren.
De ondernemer kan zich niet vinden in de conclusie dat sprake zou zijn geweest van onzorgvuldig handelen, onvoldoende transparantie of onvoldoende aandacht voor de geuite zorgen. De ondernemer is van mening binnen de professionele verantwoordelijkheid, de geldende wet- en regelgeving en het belang van de betrokken kinderen zorgvuldig heeft gehandeld en verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

Alvorens de commissie overgaat tot beoordeling van de klachtonderdelen, merkt zij – wellicht ten overvloede – het navolgende op.

Vooropgesteld dient te worden dat de wetgever beoogt dat ouders na een echtscheiding zoveel mogelijk een gelijkwaardige positie houden ten opzichte van het/de uit het huwelijk geboren kind(eren). Uit de overgelegde stukken blijkt dat vader en moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kinderen uitoefenen. Op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) omvat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (artikel 1:247 lid 1 BW).

De ondernemer heeft ter zitting, desgevraagd, verklaard te beschikken over een protocol gescheiden ouders. De ondernemer heeft de consument en haar ex-partner hiervan in kennis gesteld.

Ad. 1
Uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie niet gebleken dat er een noodzaak bestond om de Meldcode (in zijn volle omvang) toe te passen. Voor een melding bij Veilig Thuis dient sprake te zijn van (ten minste een vermoeden van) onveiligheid in huiselijke kring. Hiervan is geen sprake geweest, ter zitting heeft de ondernemer dit standpunt andermaal herhaald. De commissie acht het niet onbegrijpelijk, nu de ondernemer geen vermoedens had van structurele onveiligheid, dat de ondernemer niet aan de (verdere) toepassing van de Meldcode is toegekomen.

Ten overvloede merkt de commissie op dat de ondernemer, ondanks dat er geen vermoeden van structurele onveiligheid bestond, advies heeft ingewonnen bij Veilig Thuis. Dat vervolgens besloten is niet over te gaan tot een melding is aan de professionele beoordeling van de ondernemer, waarbij deze af mag gaan op het verkregen advies. Aan de ondernemer komt op dit punt een zekere beleids- en beoordelingsvrijheid toe. De commissie is van oordeel dat de ondernemer in redelijkheid tot het hierboven genoemde besluit is kunnen komen.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Ad. 2 en 3
Naar de aard van het recht van een ouder, om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden, omvat dit recht ook het recht op informatie die de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind betreft.
Voor situaties waarin één van de ouders niet met het gezag is belast, geeft de wet expliciet aan hoe derden, die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, moeten reageren op een verzoek om informatie van de niet met het gezag belaste ouder (artikel 1:377c BW). Deze derden, waaronder ook kinderopvangorganisaties vallen, moeten de ouders desgevraagd van die informatie op de hoogte stellen. Dit geldt alleen niet als de derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of als het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.

Alhoewel de consument in deze situatie wel het ouderlijk gezag heeft over haar kinderen en bovengenoemde wettelijke bepaling niet direct ziet op haar situatie, kan uit het systeem van de wet worden afgeleid dat deze verplichting tot verstrekking van informatie tenminste van overeenkomstige toepassing is in het geval beide ouders met het ouderlijk gezag belast zijn.

De vorm van informatieverstrekking aan ouders is vormvrij, maar het geniet de voorkeur dat een ondernemer voor beide ouders dezelfde vorm en frequentie aanhoudt. Het komt de commissie dan ook voor dat de ondernemer beide ouders toegang geeft tot het ouderportaal, beide ouders uitnodigt voor gesprekken en dat zij er zorg voor draagt dat beide ouders op de hoogte zijn van het wel en wee van de kinderen op de kinderopvang.

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de consument, het recht toekomt in kennis te worden gesteld van het feit dat afspraken zijn gemaakt met de vader van de kinderen. Dit klemt temeer nu deze afspraken een direct verband hebben met het wel en wee van de kinderen op de opvang. Niet gesteld noch gebleken is dat het belang van de kinderen zich op enige wijze verzet tegen verstrekking van deze informatie in het kader van het welzijn van de kinderen op de kinderopvang.

De commissie merkt daarbij wel op dat het in kennis stellen van het feit dat afspraken met vader zijn gemaakt iets anders is dan het verstrekken van hierover gevoerde correspondentie. Op grond van vaste jurisprudentie betreft de informatieverplichting de verplichting ouders te informeren over de ontwikkeling van het kind en heeft betrekking op gegevens en inlichtingen die een ondernemer heeft over de ontwikkeling van een kind. Een ondernemer is niet verplicht een ouder in kennis te stellen van informatie die het van een andere ouder krijgt. Dit past bij de neutraliteit die van een ondernemer verwacht mag worden ten aanzien van gescheiden ouders en hun mogelijke strijd over de kinderen. De kinderopvang dient daar buiten te blijven. Met andere woorden, de ondernemer had de consument in kennis moeten stellen van het feit dat er afspraken gemaakt zijn met de vader van de kinderen omdat dit van invloed was op de gemoedstoestand van de kinderen, maar zij hoefde de consument niet in kennis te stellen van de exacte inhoud van de afspraken. Klachtonderdeel 2 is gegrond voor zover het ziet op uit opvoedkundig oogpunt relevante informatie met betrekking tot de met de ex-partner van de consument gemaakte afspraken.

Het is de commissie niet gebleken dat sprake is van onzorgvuldige dossiervorming. Dat de ondernemer onderdelen uit het dossier van de kinderen niet heeft verstrekt om haar neutraliteit te beschermen maakt niet dat zij onzorgvuldig is geweest ten aanzien van het dossier.

Gelet op het bovenstaande komt de commissie tot het oordeel dat klachtonderdeel 3 ongegrond is.

Ad. 4
Als de Raad een kinderopvang verzoekt om informatie te verstrekken over een van de opgevangen kinderen mag de kinderopvang dat in beginsel doen, ook zonder toestemming van ouders. In deze zaak is echter gebleken dat de consument en haar ex-partner toestemming hebben gegeven voor het delen van informatie. De kinderopvang hoeft niet vooraf met ouders te overleggen welke informatie verstrekt gaat worden omdat van de kinderopvang een onafhankelijk standpunt wordt verwacht bij het verstrekken daarvan. De informatie en de zienswijze van de kinderopvang hoeven niet overeen te komen met de zienswijze van ouders. Dat een ouder zich niet kan vinden in de door de kinderopvang verstrekte informatie betekent niet dat de door de kinderopvang verstrekte informatie onjuist is. De kinderopvang dient zich echter wel genuanceerd uit te laten en aan te geven of het gaat om een mening of een feit. Daarbij dient de kinderopvang zich bewust te zijn van de impact die bepaalde informatie kan hebben op de instanties voor wie de informatie bedoeld is, zoals bijvoorbeeld de (kinder)rechter. De kinderopvang dient zich goed te vergewissen van haar rol als informant. De kinderopvang dient ervoor te waken dat onduidelijkheid kan ontstaan met betrekking tot de door haar verstrekte informatie. Zij dient duidelijkheid te geven of de informatie een feitelijke weergave of een eigen waarneming betreft.

De commissie stelt vast dat dit onvoldoende is gebeurd. Het staat vast dat de informatie zoals opgenomen in de observaties van de ondernemer niet aansluiten op de informatie zoals deze is opgenomen in het Raadsrapport. De ondernemer wijt dit aan verschillende interpretaties van de informatie, de commissie trekt hieruit echter de conclusie dat de informatie onvoldoende duidelijk en transparant is geweest en daardoor voor meerdere interpretaties vatbaar is geweest waardoor de woorden van de ondernemer anders zijn gewogen en opgenomen in het Raadsrapport.

De commissie is van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.

Aangezien de klacht van de consument gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:-

– verklaart de klacht van de consument voor wat betreft klachtonderdeel 1 en 3 ongegrond en voor wat betreft klachtonderdeel 2 en 4 gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,- aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld; en
– wijst het meer en/of anders gevorderde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. D. le Pair, secretaris, op 1 oktober 2026.

 

 

 

 

Opslaan als PDF