Klacht over kosten winterstaplaats ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Kosten    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 991069/1194646

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument betaalde €135 voor de winterstaplaats van haar caravan, maar wilde dit bedrag terug omdat de camping onverwacht een nieuwe eigenaar kreeg. Consument besloot de caravan te verkopen en de plek op te zeggen. De ondernemer vindt dat er geen recht is op terugbetaling, omdat de consument een lopende overeenkomst had en de plek tot half november 2024 is gebruikt. De commissie is het daarmee eens: volgens het contract moest de consument het bedrag betalen en zij heeft de plaats in die periode nog gebruikt. Daarom verklaart de commissie de klacht ongegrond en krijgt de consument het geld niet terug.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de kosten voor de winterstaplaats (periode van 1 oktober 2024 t/m 31 maart 2025) ter hoogte van € 135,–.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Vanaf 2017 stond ik met een stacaravan op het terrein van de ondernemer. Plotseling werd de camping op 30 augustus 2024 verkocht aan een nieuwe eigenaar. De nieuwe eigenaar alsook een medewerkster verzekerden mij dat we er zeker nog twee jaar konden blijven staan, dus geen reden voor paniek. Met die geruststelling heb ik nog de winterstaplaats (periode van 1 oktober 2024 t/m 31 maart 2025) van € 135,– betaald. Kort daarna werd er spoed gemaakt met de herstructurering van de camping en ik vertrouwde er niet op nog op twee jaar te kunnen blijven. Daarop heb ik de caravan verkocht en de plaats opgezegd.
De € 135,– heb ik zowel mondeling als ook via e-mails geprobeerd gerestitueerd te krijgen, maar volgens de (nieuwe) eigenaar heb ik daar geen recht op. Begin november was de plek definitief leeggeruimd.

De consument verlangt dat de ondernemer haar een bedrag van € 135,– terugbetaalt.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, waarvan in het bijzonder het verweerschrift van 2 juli 2025. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Partijen zijn op 12 december 2023 een overeenkomst aangegaan voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025. Naast dat de consument na 1 oktober 2024 nog gebruik gemaakt heeft gemaakt van de plaats, heeft ze om haar moverende redenen besloten geen overeenkomst voor het jaar 2025/2026 aan te gaan en de caravan te verkopen. Het is haar eigen keuze geweest om de caravan te verkopen, maar dit geeft geen recht op restitutie of enige andere tegemoetkoming over de periode dat geen gebruik gemaakt is van de plaats.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Op 29 augustus 2024 is de ondernemer eigenaar geworden van [naam onderneming].

Uit de door beide partijen overgelegde overeenkomst caravanstandplaats 2024/2025 blijkt dat de vorige eigenaar van de camping en de consument met elkaar zijn overeengekomen dat de consument voor de caravanplaats voor de periode van 1 april 2024 tot en met 30 september 2024 een bedrag van € 2.290,– en voor de periode van 1 oktober 2024 tot 31 maart 2025 een bedrag van € 135,– diende te betalen. Het laatste bedrag ziet op de winterstalling.

Verder is vast komen te staan dat de consument de caravan heeft verkocht en dat de caravan op 21 oktober 2024 (volgens de ondernemer 22 oktober 2024) is verwijderd van het terrein van de ondernemer. Daarnaast is komen vast te staan dat de standplaats pas op 15 november 2024 volledig was ontruimd.

De commissie is van oordeel dat reeds op grond van voornoemde overeenkomst de consument gehouden was om het overeengekomen bedrag van € 135,– aan de voormalige eigenaar te betalen. Daar komt bij dat de consument in de periode waarvoor zij het bedrag van € 135,– aan winterstalling heeft betaald, te weten de periode van 1 oktober 2024 tot 31 maart 2025, nog gebruik heeft gemaakt van de standplaats. De caravan is immers op 21 oktober 2024 verwijderd van de standplaats en de standplaats was pas op 15 november 2024 volledig ontruimd.

Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht ongegrond verklaren.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond, zodat het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huijsman- Hartkamp, leden, op 18 september 2025.

Opslaan als PDF