Klacht over opzegtermijn en begeleiding door gastouderbureau deels gegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: tekortschieten zorgplicht    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: deels gegrond   Referentiecode: 1347632/1353723

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een ouder klaagde over de beëindiging van een opvangcontract, een factuur en de rol van het gastouderbureau bij een conflict met de gastouder. De commissie oordeelde dat het gastouderbureau ten onrechte uitging van een opzegtermijn van twee maanden, omdat volgens de wet een opzegtermijn van maximaal één maand geldt en opzegging op elke dag van de maand mogelijk moet zijn. Daarnaast had het bureau actiever moeten adviseren en bemiddelen. De klacht is daarom gedeeltelijk gegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding en correctie van de factuur werd afgewezen, omdat de commissie daarover onvoldoende kon vaststellen of deze terecht waren.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de einddatum van het opvangcontract, de juistheid van de factuur en het tekortschieten in de uitvoering van de bemiddelings- en zorgplicht door de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft op 1 mei 2026 een contract getekend met de gastouder, een aantal weken later is een contract getekend met de ondernemer (het gastouderbureau). De overeenkomst tussen de consument en de gastouder heeft een andere contractuele opzegtermijn (twee maanden) dan de overeenkomst tussen de consument en de ondernemer (één maand).

Op 17 juni 2026 heeft de consument aangegeven de overeenkomst met zowel de gastouder als de ondernemer te willen beëindigen. Dit nadat de gastouder zich ziek heeft gemeld en sprake was van een beginnend arbeidsconflict.
Zowel de gastouder als de ondernemer stellen zich op het standpunt dat de overeenkomst kon worden beëindigd met de einddatum 1 september 2026. De consument is het hier niet mee eens, omdat de gastouder en de ondernemer hiermee voorbijgaan aan de in de branche geldende voorwaarden en de overeengekomen opzegtermijn langer is dan de termijn die hiervoor staat. Er mogen geen voorwaarden worden toegepast waarin een opzegtermijn van meer dan één maand geldt en ouders moeten op iedere dag van de maand kunnen opzeggen en niet alleen tegen de eerste dag van een nieuwe maand.

De consument verzoekt de commissie een uitspraak te doen over de opzegtermijn en de einddatum die in dit geval dient te gelden. Dit alles om te komen tot een correcte beëindiging c.q. ontbinding van de overeenkomsten.

De consument verzoekt de commissie ook een uitspraak te doen met betrekking tot de door de ondernemer in rekening gebrachte opvanguren. De ondernemer heeft een foutief aantal uren en een foutief uurtarief gehanteerd, op basis van een foutieve registratie van de gastouder. De registratie van de uren is door de consument afgekeurd. De ondernemer heeft desondanks een factuur gebaseerd op de foutieve uren in rekening gebracht bij de consument. De consument heeft de ondernemer hierop geattendeerd en een officiële klacht ingediend. De ondernemer heeft hier op gereageerd, maar is niet inhoudelijk ingegaan op de foutieve registratie en de daarop gebaseerde factuur.

Tot slot verzoekt de consument de commissie een oordeel te geven over de bemiddelings- en zorgplicht van de ondernemer. De ondernemer is daarin tekortgeschoten. De ondernemer heeft de consument niet voorzien van informatie over wederzijdse rechten en plichten in geval van een ziekmelding van de gastouder. Ook niet nadat de consument hier expliciet om heeft gevraagd. De ondernemer heeft ook geen poging gedaan te bemiddelen tussen de gastouder en de consument. Daarnaast is er niet gereageerd op de vragen en klachten aangaande de einddatum van het contract, de ingediende urenregistratie en de factuur. Om die redenen vraagt zij een schadevergoeding.

De consument verzoekt de commissie:

– de klacht gegrond te verklaren;
– vast te stellen dat de opzegtermijn maar één maand mag bedragen en de overeenkomst daarom is geëindigd per 17 juli 2026;
– de ondernemer op te dragen een correcte factuur over de maand juni 2026 op te stellen, waarbij de wachtperiode bij ziekmelding, de doorbetaling van het salaris gedurende ziekte en de urenregistratie zijn gecorrigeerd;
– een schadevergoeding toe te kennen in verband met het tekortschieten in de bemiddelings- en zorgplicht ter hoogte van de extra kosten voor vervangende oppas en het opnemen van vakantie-uren.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Er wordt betwist dat de ondernemer tekortgeschoten is in de nakoming van de op de ondernemer rustende verplichtingen. Er bestaat geen grond voor correctie of restitutie van de factuur over juni 2026 dan wel voor een aanvullende financiële vergoeding.

Er is sprake van een verschil van inzicht tussen de consument en de gastouder over de uitvoering en de beëindiging van de tussen de consument en gastouder gesloten overeenkomst. De ondernemer staat hier in beginsel buiten.

De ondernemer heeft bij de door haar genomen beslissingen de standpunten van beide partijen betrokken, zij heeft tussen de consument en de gastouder bemiddeld en advies gegeven. Voor de administratieve uitvoering is de ondernemer uitgegaan van de bestaande door de consument en de gastouder ondertekende overeenkomst.
Het geschil ziet voornamelijk op de opvangovereenkomst tussen de consument en de gastouder. De ondernemer is hierbij geen partij. Zij meent dat op grond hiervan de klacht niet-ontvankelijk is.

Voor zover de commissie van oordeel is dat de consument kan worden ontvangen in de klacht is de ondernemer van mening dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard. De ondernemer heeft immers niet het recht om eenzijdig te beslissen over de klachten die voortvloeien uit een overeenkomst waarbij de ondernemer geen partij is. De ondernemer heeft de opzegtermijn uit de tussen de consument en de gastouder gesloten overeenkomst gehanteerd. Dat betekent dat de overeenkomst per 1 september 2026 is beëindigd.

Tussen de consument en de gastouder is eveneens onenigheid ontstaan met betrekking tot de financiële gevolgen van ziekte. De consument heeft gesteld dat sprake zou moeten zijn van wachtdagen, 70% loondoorbetaling bij ziekte en later zelfs loonopschorting. Daartegenover stond echter de tussen de consument en de gastouder gesloten overeenkomst waarin een vaste contractuele omvang van de opvang is afgesproken en bepalingen zijn opgenomen over beschikbaarheid, vergoeding en ziekte. De ondernemer heeft geen redenen gezien om van de bepalingen uit de overeenkomst af te wijken. De consument heeft de urenregistratie afgekeurd en haar juridische interpretatie van de gevolgen van ziekte als grond aangevoerd. De ondernemer heeft dit afgewogen en heeft een beslissing genomen hoe met de situatie om te gaan en is daarbij voorbij gegaan aan de (arbeidsrechtelijke) standpunten van de consument.

Ook voor wat betreft het tarief gaat de consument uit van een foutief bedrag omdat zij hierin de bureaukosten van de ondernemer niet heeft meegenomen. Deze komen boven op de kosten van de gastouder. Dit is voor aanvang van het koppelingsgesprek reeds met de consument besproken en vastgelegd in de door de consument ondertekende checklist.

De consument stelt dat de ondernemer geen actieve bemiddeling heeft verricht en onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de rol van gastouderbureau. Dit wordt door de ondernemer betwist. De ondernemer heeft op 18 juni 2026 de consument en de gastouder bericht en de verdere communicatie gestructureerd. De ondernemer heeft de situatie vervolgens onderzocht aan de hand van de tot haar beschikking staande informatie. Na de beoordeling heeft de ondernemer de consument en de gastouder in kennis gesteld van de administratieve beoordeling.

Deze beoordeling hield in dat de ondernemer voor de uitvoering van de eigen dienstverlening aansloot bij de door de consument en gastouder ondertekende overeenkomst en daarom een administratieve einddatum van 1 september 2026 zou hanteren. De ondernemer heeft daarbij expliciet aangegeven dat het een administratieve einddatum betrof en geen bindende vaststelling betrof van de (rechts)positie tussen de consument en de gastouder. Indien zij tot een andere beëindigingsdatum zouden zijn gekomen, dan zou de ondernemer de administratieve uitvoering daarop hebben aangepast.
De ondernemer is betrokken gebleven bij het dossier. Er is door de ondernemer gereageerd op nieuwe standpunten, het beëindigingsformulier is ontvangen en verwerkt en de ondernemer is in contact geweest met partijen. Dat de bemiddeling uiteindelijk niet tot overeenstemming tussen de consument en de gastouder heeft geleid, kan niet aan de ondernemer worden toegerekend en betekent evenmin dat er geen bemiddeling heeft plaatsgevonden. De ondernemer is van mening dat de rol die van de ondernemer verwacht mag worden naar behoren is uitgevoerd.

Dat de consument en de gastouder van mening zijn blijven verschillen over de juridische gevolgen van zieke en beëindiging betekent niet dat de ondernemer enig recht had eenzijdig in de tussen partijen gesloten overeenkomst te treden en/of hier wijzigingen in aan te brengen.

De ondernemer verzoekt de commissie de klachten ongegrond te verklaren en de gevraagde restitutie of gevorderde schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, wordt het volgende overwogen.

Voor alles wordt opgemerkt dat de commissie tot taak heeft geschillen tussen onder andere een consument en een ondernemer – in dit geval de houder van een gastouderbureau – te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op onder meer de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot door de ondernemer te leveren of geleverde diensten van kinderopvang. Dat betekent dat de commissie niet bevoegd is geschillen tussen een consument en een gastouder te behandelen. Om die reden zal de commissie niet ingaan op de klachten die de consument over de gastouder heeft.

De consument heeft zich op 17 juni 2026 tot de ondernemer gewend om de overeenkomst op te zeggen. De consument heeft zich, voor zover van belang, op 17 juni 2026 eveneens tot de gastouder gewend om de overeenkomst op te zeggen. Het door de consument verzonden e-mailbericht dient als een opzegging opgevat te worden. Deze opzegging moet worden beoordeeld op grond van de gemaakte contractuele afspraken, de algemene voorwaarden en de wettelijke bepalingen. De overeenkomst, die tussen partijen is gesloten, is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk tot de kinderen de leeftijd van vier jaren bereiken (artikel 12 van de Algemene Voorwaarden). Er is dus sprake van een meerjarige overeenkomst tussen de ondernemer en de consument, zijnde een natuurlijke persoon, die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf. De overeenkomst is na ondertekening door partijen aangegaan voor deze periode en kan tussentijds door één der partijen worden opgezegd. Daarop zijn de volgende wettelijke bepalingen van toepassing. Artikel 6:237 onder o BW schrijft voor dat de ondernemer in een dergelijk geval geen opzegtermijn langer dan één maand mag hanteren, tenzij hij daarvoor goede gronden aanvoert. De door de ondernemer aangevoerde bijzondere omstandigheden op grond waarvan het in dit geval gerechtvaardigd is een opzegtermijn van twee maanden te hanteren, acht de commissie niet ter zake doend en vormen geen aanleiding in dit geval aan de hierboven genoemde wettelijke bepaling voorbij te gaan. Dat de ondernemer de opzegtermijn van de overeenkomst tussen de consument en de gastouder als uitgangspunt heeft genomen, kan evenmin tot een ander oordeel leiden nu de juridische grondslag voor het hanteren van een maand opzegtermijn rechtstreeks uit de wet voortvloeit. De commissie oordeelt daarom dat de klacht van de consument met betrekking tot de opzegtermijn gegrond is en de ondernemer gehouden is aan een opzegtermijn van één maand.

De commissie voegt daar nog het volgende aan toe. Er mag worden opgezegd tegen elke dag van de maand en niet alleen tegen de eerste dag van een nieuwe maand. Deze laatst genoemde opzeggingsmogelijkheid komt in feite neer op een verlenging van de opzegtermijn. In artikel 17 van haar algemene voorwaarden heeft de ondernemer opgenomen dat opzegging geschiedt tegen het einde van de maand. Dit is onjuist en in strijd met de eerdergenoemde wetsbepaling. Conclusie is dat de overeenkomst tussen de consument en de ondernemer is geëindigd op 17 juli 2026.

De ondernemer is voorts tekortgeschoten in de ‘zorgplicht’ die op haar rust. Van de ondernemer mag een actievere opstelling worden verwacht. Zij had in het kader van de bemiddeling en advisering moeten opmerken dat de contractueel tussen de consument en de gastouder overeengekomen bepaling met betrekking tot de opzegtermijn in strijd is met de daartoe geldende wettelijke bepalingen. Door de consument en de gastouder hier niet op te wijzen, heeft de ondernemer niet gehandeld zoals van haar als beroepsbeoefenaar had mogen worden verwacht. De toegevoegde waarde van het gastouderbureau is onder andere dat deze zorg draagt voor bemiddeling en advisering. Dit alles ter bevordering en instandhouding van een kwalitatief hoogwaardige gastouderopvang. De commissie is van oordeel dat van de ondernemer verwacht mag worden dat zij alert is op afwijkingen van de wettelijke bepalingen (ten nadele van de consument) en dat zij aanstuurt op correctie.

Daarnaast had van de ondernemer een verdergaande bemiddeling in het conflict tussen de consument en de gastouder mogen worden verwacht. De consument heeft zich meerdere malen tot de ondernemer gewend met het verzoek te bemiddelen tussen de gastouder en de consument. De ondernemer heeft weliswaar contact gehad met de gastouder, maar deze heeft aangegeven geen contact te willen. In zo’n geval, aldus de ondernemer, houdt het voor de ondernemer op. De commissie deelt deze zienswijze van de ondernemer niet. Partijen bij een overeenkomst dienen zich tegenover elkaar niet alleen te gedragen naar hetgeen is vermeld in de door hen gesloten overeenkomst en de eventueel daarvan deel uitmakende algemene voorwaarden, maar zij dienen zich tegenover elkaar ook te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, die niet onmiddellijk uit de overeenkomst voortvloeien. In dat kader rust op de ondernemer een inspanningsverplichting tot – kort gezegd – deugdelijke bemiddeling en begeleiding voor kinderopvang. Van die inspanningsverplichting heeft de ondernemer zich onvoldoende gekweten. Zij had verdergaand behoren te bemiddelen teneinde tot een bevredigendere oplossing te komen. Van de ondernemer mag worden verwacht dat zij – toen haar bleek dat de gastouder niet bereid was tot enige beweging – pogingen in het werk zou stellen de gastouder met kracht van argumenten te overtuigen het gesprek aan te gaan om tot een deugdelijke afwikkeling van de contractuele relatie te komen. Het is onjuist door in deze situatie slechts te verwijzen naar de gesloten overeenkomst waarvan bepalingen in strijd zijn met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

De commissie acht de klacht van de consument in zoverre dan ook gegrond.

Voor wat betreft het verzoek de ondernemer op te dragen de facturen te corrigeren kan de commissie niet vaststellen of de factuur (al dan niet) onjuist is, zij kan niet oordelen over de arbeidsongeschiktheid van de gastouder en, zoals eerder opgemerkt, kan de commissie ook geen uitspraak doen ten aanzien van de gastouder omdat deze geen partij is in de procedure en de commissie dienaangaande geen bevoegdheid heeft. De commissie is niet staat om een oordeel geven of een volledige betaling door de consument al dan niet gerechtvaardigd is.

Het verzoek tot schadevergoeding wordt door de commissie afgewezen nu de consument de vordering niet heeft geconcretiseerd en ook niet (met bewijsstukken) heeft onderbouwd.

De slotsom is dat de klacht van de consument gedeeltelijk gegrond is. Daarom moet de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie het door de consument betaalde klachtengeld aan haar vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van de consument gegrond voor zover deze ziet op de opzegtermijn en de bemiddelende rol van de ondernemer;
– wijst het verzoek tot schadevergoeding af;
– bepaalt dat de ondernemer aan de consument binnen veertien dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 25,- ter zake van het door haar betaalde klachtengeld dient te voldoen; en
– wijst af het door de consument meer of anders verlangde.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. D. le Pair, secretaris, op 1 oktober 2026.

 

 

Opslaan als PDF