Ondernemer heeft consument voldoende geïnformeerd over onderdoorloophoogte knikarmscherm

  • Home >>
  • Zonwering >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zonwering    Categorie: Informatie    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ZON09-0003

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 27 september 2008 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst.   De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren en monteren van buitenzonwering tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 3.693,–.   De levering en de overeengekomen werkzaamheden vonden plaats op of omstreeks 8 november 2008.   De consument heeft op 8 november 2008 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   De zonwering hangt te laag voor een normaal gebruik. De ondernemer heeft er onvoldoende op gewezen dat het scherm zo laag zou komen te hangen. Na de montage van het scherm kwam de ondernemer met een werktekening waarop iets duidelijker te zien was wat de hoogte zou worden. De ondernemer heeft voorgesteld de beugels waar het scherm in hangt in te korten en te draaien waardoor het scherm iets hoger komt te hangen. Het aanpassen van de plank aan de voorzijde (het zogenoemde “uitwiggen”) zou ik dan zelf moeten doen. Dat is echter een moeilijke klus.   De consument verlangt dat het zonnescherm zodanig wordt geplaatst dat er maximaal onderdoor gelopen kan worden.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   Op 14 juli 2008 heeft een eerste opname plaats gehad en toen was al duidelijk dat de situatie om een specifieke oplossing vroeg. Montage van de zonwering in het dakoverstek en de uitval met het daarbij behorende afschot van het doek zou namelijk een vrije doorloop naar het schuurtje in de weg staan. De consument heeft daarop geantwoord dat hij dan wel zou bukken. Afgesproken is dat bij de offerte een tekening zou worden gevoegd met daarop aangegeven de maten van uitval, werkhoogte en doeklijn. Op 27 september 2008 is de bij de offerte behorende tekening met de consument besproken. Van enige onduidelijkheid met betrekking tot de tekening was geen sprake. Ook toen is de bereikbaarheid van het schuurtje door mij ter sprake gebracht. Daarop heeft de consument opdracht gegeven tot het monteren van de zonwering. Omdat de consument aangaf niet tevreden te zijn met het uiteindelijke resultaat is de suggestie gedaan de ophangconstructie te wijzigen waarbij er op is gewezen dat die optie slechts in beperkte mate soelaas zou bieden in relatie tot de te maken kosten. Overigens is niet aangeboden om de kosten daarvan voor mijn rekening te nemen omdat mij geen verwijt treft met betrekking tot de beperkte doorloophoogte. De consument is daarvan uitgebreid op de hoogte gesteld.   Deskundigenrapport   De door de commissie ingeschakelde deskundige heeft blijkens zijn rapport, voor zover thans van belang, het volgende vastgesteld.   De wijze waarop het zonnescherm is gemonteerd is complex omdat de bevestiging van de montagesteunen de schuine lijn van de voorzijde van het dakoverschot dient te volgen. De toegepaste uitval van 2.500 millimeter, in samenhang met het noodzakelijk minimaal en verantwoord verloop dat een knikarm zonnescherm dient te hebben, heeft als consequentie dat in deze situatie geen sprake kan zijn van een gebruikelijke onderdoorloophoogte van circa 1.900 millimeter. Het mag duidelijk zijn dat ondergetekende niet bij de gevoerde verkoopgesprekken aanwezig is geweest en hem derhalve niet bekend kan zijn wat de leverancier en wat de consument op zeker moment hebben gezegd. Duidelijk is wel dat de leverancier zeker niet onvoorbereid te werk is gegaan. Dat blijkt ook uit de correspondentie, de bijgehouden aantekeningen en uit het aantal keren dat hij bij consument langs is geweest om ook maar elk mogelijk risico uit te sluiten. Hij heeft de consument, zover in zijn vermogen ligt, getracht duidelijk te maken hoe uiteindelijk het zonnescherm gemonteerd zou worden. De consument heeft ook bevestigd dat er een goede en intensieve samenwerking met de leverancier heeft plaatsgevonden. Dat een behaald resultaat later toch tegenvalt is uiteraard voorstelbaar, maar het aangevoerde argument dat men niet voldoende is geïnformeerd over de uiteindelijk bereikte onderdoorloophoogte is naar de mening van de deskundige onvoldoende onderbouwd. In geval van aanhoudende twijfel of onduidelijkheid had consument immers aanvullende vragen kunnen stellen aan de leverancier. De tot dat moment goede sfeer nodigde daartoe ook zeker uit. Het feit dat er speciale beugels zijn gemaakt, dat er een afdekplank aangeleverd diende te worden om op de voorlijst aangebracht te worden, dat de plaats en hoek waaronder gemonteerd zou gaan worden uitgebreid is besproken en beschreven kan niet anders inhouden dan dat ook de lage onderdoorloophoogte ter sprake is gekomen en door leverancier moet zijn toegelicht.   Het is mogelijk, als althans sprake is van ‘herstel’, om de gemonteerde steunen eventueel enigszins te draaien zodat het zonnescherm onder een licht afwijkende hoek uitdraait. Dit is echter een bijzonder arbeidsintensieve inspanning waarvan niet geheel zeker is of het uiteindelijk bereikte resultaat in verhouding zal staan tot de te maken (arbeids)kosten. Leverancier heeft hier ook zijn twijfels over omdat het zonnescherm dan erg vlak uit gaat en omdat dit vooral wordt gebruikt als afscherming/beschutting -en minder als zonwering- kan er bij regenval gemakkelijk water op blijven staan.   Een eenvoudige en meer voor de hand liggende oplossing is het zonnescherm circa 250 millimeter minder ver uit te draaien. Het verloop in hoogte is over de eerste 250 millimeter het grootst. Op deze wijze wordt hetzelfde resultaat bereikt. De resterende uitval in combinatie met het dakoverstek is ook dan dusdanig dat men een prima en ruim voldoende afscherming heeft. De tweede mogelijkheid is het meest voor de hand liggend.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   De bevindingen en conclusies van de deskundige worden door de commissie onderschreven en zij maakt die tot de hare, voor zover in het navolgende niet anders wordt bepaald.   Ofschoon aan de consument moet worden toegegeven dat uit de bij de offerte gevoegde tekening niet onmiddellijk blijkt op welke hoogte het scherm komt te hangen indien het volledig wordt uitgedraaid, acht de commissie het niet waarschijnlijk dat een en ander voorafgaand aan de opdrachtverlening tussen partijen niet is besproken. Verwezen wordt naar hetgeen de deskundige op dat punt heeft overwogen. De commissie wordt bovendien in die opvatting gesterkt door het feit dat de consument de zienswijze van de ondernemer zoals neergelegd in zijn brief van 17 juli 2009 niet heeft weersproken. De consument heeft evenmin aanleiding gezien te reageren op het deskundigenrapport. Tot slot ziet de commissie in het feit dat de consument niet ter zitting is verschenen evenzeer aanleiding om de ondernemer te volgen in diens standpunt dat de consument tevoren afdoende is geïnformeerd omtrent de hoogte van het scherm. Naar de commissie begrijpt was een minimale doorloophoogte voor de consument bij het sluiten van de overeenkomst van essentieel belang. Dat in aanmerking nemend had het op de weg van de consument gelegen om aan de ondernemer verduidelijking te vragen van de bij de offerte gevoegde tekening. Nu dat niet is gebeurd, treft de ondernemer naar het oordeel van de commissie geen verwijt van de omstandigheid dat het zonnescherm niet voldoet aan de verwachtingen van de consument.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   Het door de consument verlangde wordt afgewezen.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Zonwering op 5 januari 2010.