Ontslagverzoek uit zorginstelling terecht afgewezen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg    Categorie: onvrijwillige zorg    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Uitspraak   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1349320/1349829

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een cliënt die het niet eens is met de afwijzing van zijn verzoek om een zorginstelling te verlaten. Hij vindt dat onvoldoende is onderbouwd waarom hij nog opgenomen moet blijven en betwist de diagnose van een neurocognitieve stoornis. Ook stelt hij dat de risico’s die de zorgaanbieder noemt niet duidelijk zijn onderbouwd, dat de arts niet onafhankelijk is en dat de procedure rond zijn ontslagverzoek niet zorgvuldig is verlopen. De zorgaanbieder voert aan dat nog steeds sprake is van ernstig nadeel als de cliënt zelfstandig zou gaan wonen en dat een rechter eerder al heeft vastgesteld dat opname noodzakelijk is. De commissie oordeelt dat de afwijzing van het ontslagverzoek inhoudelijk terecht is. Uit de rechterlijke beslissing en de medische informatie blijkt dat de cliënt nog steeds niet zelfstandig kan wonen zonder risico op ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang. Daarom blijft de grondslag voor de onvrijwillige opname bestaan. Wel stelt de commissie vast dat de zorgaanbieder een procedurefout heeft gemaakt door de wettelijk vertegenwoordiger (mentor of curator) niet te betrekken bij de behandeling van het ontslagverzoek, terwijl dit wel verplicht is. De klacht wordt daarom gedeeltelijk gegrond verklaard. Alleen het onderdeel over de gevolgde procedure slaagt; voor het overige blijft de beslissing om het ontslagverzoek af te wijzen in stand.

De volledige uitspraak

Inzake de klacht van

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de klager)

en

Stichting Amsta, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

De procedure

De Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (hierna: de commissie) heeft kennisgenomen van de klacht en de overgelegde schriftelijke stukken.

Het klachtschrift is op 17 juli 2026 door de cliëntvertrouwenspersoon van de klager naar de commissie gestuurd ter behandeling.

De commissie heeft de zorgaanbieder de gelegenheid gegeven om schriftelijk op de klacht te reageren. De
commissie heeft het verweerschrift met stukken op 30 juli 2026 ontvangen. Partijen hebben kennisgenomen van elkaars stukken.

De hoorzitting vond plaats op 3 augustus 2026. De commissie heeft een online zitting gehouden ter bespreking van de klacht. Aan de online zitting namen deel: de klager zelf, samen met zijn moeder en [naam vertrouwenspersoon] (cliëntvertrouwenspersoon). Namens de zorgaanbieder waren aanwezig: de [naam] (Wzd-functionaris), [naam] (specialist ouderengeneeskunde) en [naam] (gz-psycholoog).

Feiten en omstandigheden

De commissie gaat op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht uit van de volgende feiten.

Op 5 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf afgegeven in de zin van artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang (hierna te noemen: Wzd), met een duur van zes maanden. De klager verblijft op locatie [locatie] van de zorgaanbieder.

De klager heeft op 18 mei 2026 een ontslagverzoek ingediend. Dit verzoek is op 29 mei 2026 door de zorgaanbieder afgewezen.

De klacht

Op 5 maart 2026 is een rechterlijke machtiging afgegeven voor een verblijf van zes maanden, geldig tot 5 september 2026. Op 18 mei 2026 heeft de klager een verzoek tot ontslag ingediend. Op 29 mei 2026 heeft de klager per brief vernomen dat dit verzoek is afgewezen, onder verwijzing naar de beoordeling van de Wzd-functionaris.

Met deze beoordeling en met de afwijzing van het ontslagverzoek is de klager het niet eens. In de beoordeling wordt vermeld dat bij de klager sprake zou zijn van een neurocognitieve stoornis. Voor de klager is onvoldoende duidelijk op basis van welke concrete en objectieve gegevens deze conclusie is getrokken. Hij betwist daarom dat deze diagnose in deze vorm als uitgangspunt kan dienen voor het voortduren van zijn opname.

Daarnaast staat in de beoordeling dat de klager structuur, sturing, zorg en begeleiding nodig zou hebben. Ook hierbij is het voor klager onvoldoende inzichtelijk waarop deze conclusie precies is gebaseerd. De klager herkent zich evenmin in de gestelde risico’s van zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Naar zijn mening zijn deze risico’s in de beoordeling onvoldoende concreet onderbouwd.

Verder plaatst de klager vraagtekens bij de onafhankelijkheid van de arts die is geraadpleegd in het kader van de beoordeling van de aflopende machtiging tot verblijf, nu deze arts eveneens aan de zorgaanbieder is verbonden. Daardoor kan ten minste de schijn van belangenverstrengeling ontstaan.

Daarnaast maakt de klager procedureel bezwaar tegen de wijze waarop zijn verzoek is beoordeeld. Voor de klager is onvoldoende kenbaar welke stukken, bevindingen en toetsingscriteria aan de afwijzing ten grondslag hebben gelegen, terwijl een beslissing die zo ingrijpend is voor zijn vrijheid naar zijn mening zorgvuldig, inzichtelijk en controleerbaar moet zijn gemotiveerd. Ook is voor de klager niet duidelijk in hoeverre hij daadwerkelijk is gehoord en of zijn eigen standpunt, wensen en alternatieven op kenbare wijze in de beoordeling zijn meegewogen.

De klager is van mening dat zijn opname daarom niet langer gerechtvaardigd is. Hij wil de accommodatie verlaten en in vrijheid, zonder opgelegde zorg of begeleiding, in [plaats] wonen.

Het verweer

De zorgaanbieder is van mening dat bij de klager nog steeds ernstig nadeel bestaat, dan wel een aanzienlijk risico daarop. Dit bestaat uit ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang van de klager. Op basis hiervan is het ontslagverzoek van de klager afgewezen.

De zorgaanbieder heeft zich in de beoordeling van het ontslagverzoek (mede) gebaseerd op de medische verklaring van juni 2026 die de specialist ouderengeneeskunde heeft afgegeven. Hierin is genoteerd dat de klager geen ziekte-inzicht heeft en dat de klager verbaal agressief overkomt, hard en dwingend praat en daarin niet te corrigeren is. Ook blijkt uit deze verklaring dat de klager problemen heeft met het houden van overzicht en het maken van een planning. Verder lijkt het alsof de klager de aangeboden informatie niet begrijpt en daardoor geagiteerd reageert. Tijdens de hoorzitting heeft de zorgaanbieder verteld dat in die beschreven medische situatie uit juni 2026, de afgelopen korte periode geen wijzigingen zijn opgetreden.

Er zijn volgens de zorgaanbieder momenteel geen minder ingrijpende alternatieven voor het verblijf op de accommodatie. De structuur, sturing en zorg die de klager nodig heeft, kan op het door de klager gewenste woonadres niet geboden worden. Daarnaast zal de klager door een verminderd ziekte-besef, zorg en begeleiding in de thuissituatie ook niet accepteren.

Overwegingen en conclusies

Bevoegdheid
Het niet verlenen van ontslag is een beslissing waarover op grond van artikel 55 lid 1 sub f kan worden geklaagd. De commissie is dus bevoegd over deze klacht te oordelen.

Ontvankelijkheid
Uit de stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat voor de klager een curator is ingesteld. Daarvoor was sprake van een mentor. De onderhavige klacht is ingediend door de klager zelf, met ondersteuning van de cliëntvertrouwenspersoon.

Uit artikel 55 lid 1 Wzd volgt dat een klager zelfstandig een klacht kan indienen bij de commissie. Dit is ook van toepassing indien voor de klager een curator is aangesteld. Van belang hierbij is de vraag of een klager wilsbekwaam ter zake wordt geacht voor indiening van de klacht. Nu de klager in redelijkheid de weg naar de commissie heeft gevonden, zelf de klacht heeft ingediend (met hulp van de cliëntvertrouwenspersoon) en ter zitting zelf zijn klacht inhoudelijk voldoende heeft toegelicht, acht de commissie de klager ter zake wilsbekwaam.

In zoverre is de klager in zijn klacht ontvankelijk.

De commissie gaat over tot inhoudelijke beoordeling van de klacht. De klacht van de klager ziet op de (procedure tot) afwijzing van het verzoek tot ontslag en daarmee op de voortduring van de onvrijwillige zorg.

Grondslag ontslagverzoek
Op grond van artikel 48 lid 1 sub a Wzd kan de zorgaanbieder een klager ontslag uit de accommodatie verlenen, indien het verblijf niet langer noodzakelijk is om ernstig nadeel als gevolg van het gedrag van de cliënt in verband met zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap dan wel de daarmee gepaard gaande psychische stoornis te voorkomen of af te wenden.

De klager heeft aangevoerd dat hij niet langer bij de zorgaanbieder wil verblijven. Hij stelt zich op het standpunt dat hij zelfstandig kan wonen en zijn leven zelf kan inrichten. De zorgaanbieder heeft daartegenover gesteld dat bij de klager sprake is van neurocognitieve stoornissen en dat een verblijf in de accommodatie noodzakelijk blijft ter voorkoming of afwending van ernstig nadeel.

Uit de stukken en het besprokene ter zitting volgt dat de afwijzing van het ontslagverzoek is gebaseerd op concrete en actuele zorgen over het ontstaan van ernstig nadeel als de klager terugkeert naar een thuissituatie.

De commissie stelt vast dat de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 5 maart 2026, in het kader van de rechterlijke machtiging, heeft geoordeeld dat de klager voldeed aan de wettelijke criteria voor opname en verblijf. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat bij de klager sprake was van ernstig nadeel, bestaande uit ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, het oproepen van agressie van anderen door hinderlijk gedrag en het in gevaar brengen van de algemene veiligheid van personen of goederen.

Uit de beschikking van de rechtbank volgt verder dat de klager onvoldoende in staat is om zijn leven zelfstandig en op adequate wijze vorm te geven. Volgens de rechtbank is bij de klager sprake van een psychogeriatrische aandoening die een noodzaak tot gerichte psychogeriatrische zorg en benadering met zich meebrengt. Deze zorg kan volgens de rechtbank alleen worden geboden binnen een daartoe toegeruste afdeling. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat bij de klager sprake is van een gebrek aan ziekte-inzicht. Dit gebrek aan ziekte-inzicht, in samenhang met een gebrek aan initiatief en zelfzorg, brengt volgens de rechtbank een aanzienlijk risico mee op verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang als de klager in de thuissituatie zou verblijven.

De commissie ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de omstandigheden die ten grondslag lagen aan het oordeel van de rechtbank inmiddels zijn gewijzigd. De klager heeft zowel in de schriftelijke stukken als ter zitting onvoldoende concreet kunnen toelichten welke veranderingen zich sinds de beschikking van 5 maart 2026 hebben voorgedaan en waarom als gevolg daarvan het eerder vastgestelde (risico op) ernstig nadeel thans niet langer aanwezig zou zijn. De enkele wens van de klager om zelfstandig te wonen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten, is daarvoor onvoldoende.

Daarbij neemt de commissie mede in aanmerking dat de zorgaanbieder medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat de eerder vastgestelde problematiek nog steeds aanwezig is. In het bijzonder wijst de commissie op de verklaring van de specialist ouderengeneeskunde van juni 2026, opgesteld in het kader van een mogelijke verlenging van de rechterlijke machtiging. Uit deze verklaring volgt dat nog steeds sprake is van ernstig nadeel en dat geen minder ingrijpende mogelijkheden voorhanden zijn om dit nadeel te voorkomen of af te wenden.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat het door de rechtbank vastgestelde (risico op) ernstig nadeel nog steeds aanwezig is en dat het verblijf van de klager in de accommodatie noodzakelijk blijft om dit ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. De commissie stelt daarom vast dat de grondslag voor het onvrijwillig verblijf nog steeds aanwezig is.

In zoverre is de klacht van de klager ongegrond.

Procedure rondom ontslagverzoek
Wel merkt de commissie op dat een zorgaanbieder bij een verzoek tot ontslag conform artikel 48 lid 2 Wzd de wettelijk vertegenwoordiger van de klager dient te betrekken. Uit het besprokene ter zitting is gebleken dat de wettelijk vertegenwoordiger (curator dan wel mentor) van de klager niet bij de behandeling van het ontslagverzoek is betrokken. De commissie is dan ook van oordeel dat in zoverre niet volledig is voldaan aan de vereisten van procedurele zorgvuldigheid.

Dit procedurele gebrek leidt echter niet tot een ander oordeel over het ontslagverzoek. Zoals hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de commissie nog steeds sprake van een voldoende grondslag voor het onvrijwillig verblijf van de klager.

De klager heeft verder aangevoerd dat de personen die bij de beoordeling van het ontslagverzoek zijn betrokken, niet onafhankelijk zouden zijn. De zorgaanbieder heeft dit betwist.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de onafhankelijkheid en de zorgvuldigheid van de beoordeling zijn gewaarborgd. Daarbij acht de commissie onder meer van belang dat ten aanzien van de diagnose van het syndroom van Korsakov een second opinion wordt verricht. De klager heeft zijn stelling dat de betrokken personen niet onafhankelijk zouden zijn ook niet nader geconcretiseerd of onderbouwd.

Conclusie
Voor zover de klacht ziet op de gevoerde procedure bij het ontslagverzoek, meer specifiek het betrekken van de mentor dan wel curator, is de klacht gegrond. Voor het overige is de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart het klachtonderdeel dat ziet op de gevoerde procedure, te weten het betrekken van de mentor dan wel curator, gegrond;
– verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Rechtsmiddel
Partijen kunnen, binnen zes weken na de dag waarop de commissie deze beslissing aan partijen heeft medegedeeld (dat wil zeggen: binnen zes weken na de dag waarop partijen gemeld is dat zij deze beslissing kunnen downloaden van het netwerk van de KCOZ), een verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht (zie artikel 56c Wet zorg en dwang).

Aldus beslist door de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. E.P.G. Ester, de heer mr. S. Stulp, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 3 augustus 2026.

Dit is de geanonimiseerde versie van een uitspraak van de KCOZ. Conform artikel 56b, lid 7 Wzd maakt de KCOZ haar uitspraken openbaar ‘in zodanige vorm dat deze niet tot personen herleidbaar zijn, behoudens voor zover het de zorgaanbieder betreft’. De KCOZ maakt haar uitspraken openbaar door deze op de website van de KCOZ te publiceren.

 

Opslaan als PDF