Commissie: Kinderopvang
Categorie: tariefstijging
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1321804/1339059
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak betreft een geschil tussen een oudercommissie en een kinderopvangorganisatie over een tariefsverhoging voor 2026. De oudercommissie stelde dat zij onvoldoende locatiespecifieke informatie had ontvangen om haar wettelijke adviesrecht goed te kunnen uitoefenen. De commissie oordeelt dat de verstrekte concerncijfers onvoldoende waren en dat de ondernemer ook relevante informatie op locatieniveau had moeten delen. Daardoor heeft de oudercommissie haar adviesrecht niet naar behoren kunnen uitoefenen en kan het besluit om af te wijken van het negatieve advies niet in stand blijven. De klacht wordt gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De OC heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de informatieverstrekking in een adviesprocedure.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de OC verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klacht van de OC ziet op de tariefsverhoging voor 2026. De kern van het geschil is dat de ondernemer de OC niet de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk is om het wettelijk adviesrecht op een deugdelijke wijze uit te oefenen. Daardoor kon de adviesprocedure niet zorgvuldig worden doorlopen en is het besluit tot tariefsverhoging onrechtmatig tot stand gekomen.
Op 29 september 2025 ontving de OC de adviesaanvraag over de voorgestelde tariefsverhoging, met als reactietermijn 27 oktober 2025. Op 8 oktober 2025 verzocht de OC om aanvullende informatie op locatieniveau omdat de aangeleverde gegevens uitsluitend abstracte kostentoenames op concernniveau betroffen.
De gevraagde informatie bestond uit de feitelijke situatie voor 2024 en prognose voor 2025 en 2026 van:
(1) kostenposten op hoofdlijnen,
(2) omzet- en resultaatcijfers,
(3) personeelsbezetting in fte, en
(4) bezettingscijfers van KDV en BSO.
Deze gegevens zijn noodzakelijk om de redelijkheid van een tariefsverhoging per locatie te kunnen beoordelen, temeer daar de ondernemer per locatie verschillende tarieven hanteert en voor deze opvanglocatie een van de hoogste tarieven voor opvang in de wijde omgeving.
De ondernemer reageerde op 9 oktober 2025 dat zij deze gegevens niet wil verstrekken, onder meer vanwege vertrouwelijkheid. Op 22 oktober 2025 herhaalde de OC dat deze informatieverstrekking noodzakelijk is op grond van de Wet Kinderopvang. Op 26 oktober 2025 verleende de ondernemer aan de OC uitstel tot 9 november 2025 maar bleef weigeren de gevraagde informatie te verstrekken. Op 5 november 2025 bevestigde de ondernemer opnieuw dat zij de informatie niet zou aanleveren.
Op 6 november 2025 bracht de OC een negatief advies uit, uitsluitend omdat de noodzakelijke informatie (op locatieniveau) ontbrak. Op 8 november 2025 is de onderbouwing van dat advies gedeeld met de ondernemer. Op 17 november 2025 liet de ondernemer weten de tariefsverhoging alsnog door te zetten en beschouwde zij het adviestraject als afgesloten; een en ander zonder de wettelijk verplichte informatie te hebben verstrekt. Wel heeft zij de OC nog aangeboden om de financiële situatie van locatie [naam locatie] mondeling te bespreken. De OC heeft daarop niet gereageerd.
Juridisch kader
De Wko verplicht de houder om de oudercommissie tijdig te voorzien van alle informatie die redelijkerwijs nodig is om een advies uit te brengen. In meerdere uitspraken heeft de Geschillencommissie Kinderopvang geoordeeld dat een houder, wanneer tarieven per vestiging verschillen, relevante informatie op locatieniveau moet verstrekken om het adviesrecht zinvol te kunnen uitoefenen.
Door deze informatie niet te verstrekken, heeft de ondernemer het de OC feitelijk onmogelijk gemaakt om een onderbouwd advies uit te brengen. Daarmee is het adviesrecht niet rechtsgeldig toegepast en is het besluit tot tariefsverhoging onrechtmatig tot stand gekomen.
De OC verzoekt de commissie om:
• het besluit tot tariefsverhoging 2026 ongeldig te verklaren;
• de ondernemer te verplichten de gevraagde informatie op locatieniveau alsnog te verstrekken indien zij een nieuwe tariefwijziging wil voorstellen;
• te bepalen dat een tariefsverhoging niet met terugwerkende kracht en niet vóór afronding van een rechtsgeldige adviesprocedure mag worden doorgevoerd.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Het besluit om de tarieven met 5,03 % te verhogen in 2026 ten opzichte van 2025 op locatie [naam locatie] is rechtmatig genomen en de ondernemer was niet verplicht om de gevraagde locatie specifieke informatie aan te leveren. De ondernemer berekent haar kosten op landelijk niveau en bepaalt op basis daarvan het tarief voor het komende jaar voor alle locaties. De onderbouwing van de tariefsverhoging is dus logischerwijs gebaseerd op landelijke cijfers. De systemen zijn daarop ingericht en het is ondoenlijk om van meer dan 1.000 locaties inzichtelijk te maken wat de kosten zijn per locatie en om die met alle oudercommissies te delen. De ondernemer is daartoe ook niet verplicht.
Op grond van artikel 1.60 lid 5 Wet Kinderopvang dient de ondernemer de OC te voorzien van alle informatie die de OC redelijkerwijs nodig heeft om over de aangekondigde tariefsverhoging te kunnen adviseren. Omdat de locatie specifieke cijfers in dit geval van geen enkele invloed zijn op de hoogte van het tarief, hoeft de ondernemer deze ook niet te verstrekken.
Het is juist dat het tarief op een aantal locaties verschilt. Dat heeft echter niet met de kosten of inkomsten of de bezettingscijfers van de locatie te maken. Van het standaardtarief wordt uitsluitend afgeweken indien sprake is van: a) een lage financiële draagkracht van de ouders in de wijk waarin de locatie is gevestigd, dan wel b) omstandigheden op de betreffende locatie die een tariefsverhoging niet rechtvaardigen, zoals groot achterstallig onderhoud, waardoor een reguliere tariefsverhoging gelet op de staat van de locatie en de prijs-kwaliteitverhouding ten opzichte van vergelijkbare locaties in de omgeving de concurrentiepositie van de ondernemer zou schaden.
Het standaarduurtarief wordt dus alleen naar beneden bijgesteld en alleen in geval van bovenstaande redenen. Als het standaardtarief naar beneden wordt bijgesteld dan wordt dit ook naar de betreffende oudercommissie gecommuniceerd en wordt onderbouwd waarom op die specifieke locatie een lager tarief wordt gehanteerd. Op locatie [naam locatie] is geen reden van de hiervoor genoemde redenen voor bijstelling van toepassing. De tariefsverhoging is enkel gebaseerd op de stijging van de landelijke kostenposten, zoals ook naar de OC is gecommuniceerd.
Samenvattend heeft de door de OC gevraagde informatie geen enkele invloed op het tarief van locatie [naam locatie] en is daarmee dus geen informatie die de oudercommissie redelijkerwijs nodig heeft om te kunnen adviseren over de voorgenomen tariefsverhoging. Daarmee is de ondernemer niet gehouden deze informatie te verstrekken en is het besluit van 17 november 2025 niet onrechtmatig.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De ondernemer kan slechts van een advies van de OC afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen het advies verzet (artikel 1.60 lid 2 Wet kinderopvang). Bij de beantwoording van de vraag of de ondernemer van het advies van de OC mag afwijken, geldt in het algemeen dat aan de commissie slechts een marginale toetsing toekomt. Die toetsing houdt in dat de commissie alleen beoordeelt of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit van het advies af te wijken. In beginsel komt aan de ondernemer de vrijheid toe zijn eigen beleid te voeren en te bepalen op welke wijze hij zijn doel met zijn onderneming wil bereiken. De commissie kan pas tussenbeide komen wanneer voldoende duidelijk is dat wegens gebrek aan voldoende onderbouwing van het bestreden besluit, dat besluit in redelijkheid niet in stand kan blijven.
Adviestraject
Vaststaat dat de ondernemer op 29 september 2025 het voorgenomen besluit tot verhoging van de tarieven voor 2026 met 5,03% ter advisering aan de OC heeft voorgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft de OC op 8 oktober 2025 verzocht om aanvullende, locatie specifieke informatie teneinde het voorgenomen besluit te kunnen beoordelen. Vervolgens hebben partijen gedurende enkele weken met elkaar gecorrespondeerd over de verstrekking van aanvullende informatie. Op 6 november 2025 heeft de OC een negatief advies uitgebracht. Bij schriftelijke mededeling van 17 november 2025 heeft de ondernemer meegedeeld van dit advies af te wijken.
Bevindingen commissie
De kern van het geschil betreft de vraag of de OC in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld haar wettelijke adviesrecht uit te oefenen. De OC stelt zich op het standpunt dat zij daartoe niet in staat is geweest omdat de ondernemer heeft geweigerd locatie specifieke informatie te verstrekken. De ondernemer heeft daartegen aangevoerd dat dergelijke informatie niet relevant is omdat de gehanteerde indexatie concernbreed gelijk is, ook al kunnen de tarieven per locatie verschillen.
De commissie volgt dit standpunt van de ondernemer niet.
Naar het oordeel van de commissie had het op de weg van de ondernemer gelegen om de OC, zij het op hoofdlijnen, inzicht te verschaffen in de voor de betreffende locatie relevante financiële en bedrijfseconomische gegevens. De door de ondernemer verstrekte informatie op concernniveau acht de commissie weliswaar voldoende inzichtelijk, maar niet toereikend om de oudercommissie in staat te stellen de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de eigen locatie te beoordelen. Gelet op de impact van de prijswijziging voor ouders kan locatie specifieke informatie, zoals verschillen in huisvestingslasten, personeelsbezetting of andere kostencomponenten, van belang zijn voor de beoordeling van de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde tariefsverhoging.
De commissie verwijst in dit verband naar haar eerdere uitspraak met referentienummer 960445/1153330, waarin is overwogen dat een algemene concernprognose onvoldoende kan zijn indien niet inzichtelijk is gemaakt in hoeverre deze aansluit bij de feitelijke situatie op locatieniveau.
Ter zitting heeft de ondernemer bovendien bevestigd dat locatie specifieke informatie beschikbaar is. Dat deze informatie mogelijk concurrentiegevoelig is, maakt het oordeel van de commissie niet anders. Van een ondernemer mag worden verwacht dat ook dergelijke informatie, voor zover noodzakelijk voor een adequate uitoefening van het adviesrecht, op hoofdlijnen met de OC wordt gedeeld. Daarbij weegt mee dat leden van de OC uit hoofde van hun functie gehouden zijn tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de ondernemer de OC onvoldoende in staat heeft gesteld haar wettelijke adviesrecht naar behoren uit te oefenen. Daarmee voldoet het gevolgde adviestraject niet aan de eisen die artikel 1.60 van de Wet kinderopvang stelt. Dit brengt mee dat de ondernemer niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het besluit om voor deze locatie af te wijken van het negatieve advies van de oudercommissie kan daarom niet in stand blijven. Het ligt op de weg van de ondernemer via de daarvoor gewezen procedure tot een nieuw besluit te komen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de oudercommissie gegrond;
– bepaalt dat het besluit van de ondernemer ten aanzien van het gecombineerde prijsadviestraject niet in stand kan blijven;
– bepaalt dat de ondernemer het betaalde klachtengeld van € 25, — aan de oudercommissie moet vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, de heer drs. H. Grachten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 25 juni 2026.