Commissie: Openbaar Vervoer
Categorie: (non)conformiteit / Algemene voorwaarden
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: tussenadvies
Uitkomst: aanhouding beslissing
Referentiecode:
1315021/1346195
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak:
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de weigering van de ondernemer in oktober 2025 om voor de consument een [reisabonnement] af te sluiten, zulks op grond van een vermeende openstaande vordering van de ondernemer op de consument.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Volgens de consument is hem in oktober 2025 het afsluiten van een [reisabonnement] geweigerd omdat hij nog een onbetaalde schuld van € 604,00 zou hebben, terwijl die schuld al geregeld was in het kader van een eerdere klachtprocedure die in 2022 is afgedaan. Door de weigering heeft hij hoge reiskosten moeten maken voor woon-werk verkeer en zijn schuldregelingen vervallen. Hij wenst hiervoor schadevergoedingen van € 2.500 en € 3.000 en herstel van zijn reisabonnement.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Ter zitting heeft de ondernemer verklaard dat in oktober 2025 sprake was van een openstaande vordering op de consument van € 117,42 [factuur] die eerst in januari 2026 is voldaan door de Kredietbank namens de consument. Per 28 januari 2026 heeft de consument dan ook een nieuw reisabonnement kunnen afsluiten.
Op grond van artikel 13.7 van de Productvoorwaarden [reisabonnement] is het een klant in de periode waarin een opeisbare betalingsverplichting niet is voldaan, niet toegestaan gebruik te maken van [reisabonnement]. Artikel 13.9 van deze voorwaarden bepaalt dat wanneer een klant [reisabonnement] of een [reisabonnement] aanvraagt en een openstaande schuld bij de ondernemer heeft, de ondernemer het recht heeft [reisabonnement] of het betreffende [reisabonnement] niet ter beschikking te stellen zolang de openstaande schuld niet is betaald.
De ondernemer heeft dus in oktober 2025 het afsluiten van een [reisabonnement] mogen weigeren.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Ter zitting is het volgende met partijen afgesproken:
De ondernemer zal alsnog in het geding brengen de [factuur] ad € 117,42 (met vermelding van de datum) en bewijs van de datum waarop deze namens de consument is voldaan, alsmede afschrift van de mededeling aan de consument dat hem het afsluiten van een [reisabonnement] is geweigerd op grond van deze onbetaalde vordering.
De consument zal bewijsstukken van zijn gestelde schade in het geding brengen.
Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient binnen 30 dagen na verzending van deze uitspraak in het geding te brengen de [factuur] ad € 117,42 (met vermelding van de datum) en bewijs van de datum waarop deze namens de consument is voldaan, alsmede afschrift van de mededeling aan de consument dat hem het afsluiten van een [reisabonnement] is geweigerd op grond van deze onbetaalde vordering.
De consument dient binnen 30 dagen na verzending van deze uitspraak bewijsstukken van zijn gestelde schade in het geding te brengen.
De hiervoor verlangde aanvullende informatie wordt na ontvangst door de commissie in afschrift aan de wederpartij gezonden. De commissie zal vervolgens de datum bepalen voor de nadere mondelinge behandeling.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit de heer mr. R.J. van Boven, voorzitter, de heer mr. P. Vonk, de heer mr. M.A. Keulen, leden, op 17 september 2026.