Commissie: Energie
Categorie: Kosten
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: tussenadvies
Uitkomst: aanhouding beslissing
Referentiecode:
1326806/1329519
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument klaagt over de verhoging van de vaste leveringskosten in het kader van zijn variabele energiecontract. Omdat een soortgelijke zaak aan de Hoge Raad voorgelegd is, houdt de commissie onderhavige klacht aan tot het eindoordeel in die zaak.
Beoordeling
De klacht van de consument heeft betrekking op de verhoging van de vaste leveringskosten in het kader van zijn variabele energiecontract. In anderhalf jaar tijd (vanaf juni 2024) heeft de ondernemer de vaste leveringskosten verhoogd met meer dan 500%. Het contract biedt geen basis voor een dergelijke verhoging. Het eenzijdige prijswijzigingsbeding dat daarin is opgenomen is onrechtmatig en onredelijk.
De ondernemer stelt in de eerste plaats dat de commissie zich niet-ontvankelijk moet verklaren, omdat zij niet bevoegd is om te oordelen over de hoogte van tarieven. Hij verwijst daarbij naar artikel 3 van het Reglement van de commissie en eerdere uitspraken. Verder heeft de ondernemer verwezen naar de bepalingen in de leveringsbrief en de productvoorwaarden die volgens hem aan hem de bevoegdheid toekennen om de tarieven, waaronder de vaste leveringskosten, aan te passen. De ondernemer betoogt verder de kosten die verband houden met de zonnepanelen van de consument, aan hem te willen toerekenen. De enige mogelijkheid daartoe bij dit contract is aanpassing van de vaste leveringskosten. Hij wijst erop dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in haar rapportage “Energietarieven in Transitie” een dergelijke aanpassing toestaat en overigens de tarieven van de ondernemer heeft goedgekeurd. Ook wijst hij op de rapportages van de ACM genaamd “Meerkosten voor klanten met zonnepanelen voor energieleveranciers” en “Terugleverkosten onder de loep”.
De commissie oordeelt als volgt. Zij wijst het beroep van de ondernemer op de niet-ontvankelijkheid van de commissie af. Artikel 3 van het reglement van de commissie, waarnaar de ondernemer verwijst, omschrijft de taak van de commissie. De bevoegdheid van de commissie is echter geregeld in artikel 4 van het reglement, waarbij beslissend is of partijen zijn overeengekomen zich aan het bindend advies van de commissie te onderwerpen. In dit geval vloeit dit laatste voort uit de toepasselijke algemene voorwaarden. Het geschil vergt dus een inhoudelijke behandeling door de commissie.
In het kader van de inhoudelijke beoordeling van de klacht stelt de commissie voorop dat de consument een variabel energiecontract heeft. Dit contract bestaat onder meer uit een bevestigingsbrief met de leveringskosten, de productvoorwaarden van de ondernemer (versie 2022.1) en de algemene voorwaarden van de ondernemer van 2017 (hierna: de Algemene Voorwaarden).
In dit geschil heeft de ondernemer voornamelijk verwezen naar het prijswijzigingsbeding in de productvoorwaarden. Echter, ook de Algemene Voorwaarden bevatten met artikel 19.3 een prijswijzigingsbeding. Dit beding vertoont overeenkomsten met het beding zoals opgenomen in de productvoorwaarden. De vraag of de ondernemer op grond van de Algemene Voorwaarden bevoegd is de bestreden prijswijziging in te voeren is veelvuldig bij deze commissie aan de orde gesteld. De commissie heeft steeds de betreffende zaken aangehouden in afwachting van een eindoordeel in een zaak waarin dezelfde vraag aan de burgerlijke rechter is voorgelegd. Het gaat om de zaak waarin het gerechtshof Amsterdam op 25 maart 2025 een arrest heeft gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2025:704) en die nu bij de Hoge Raad ligt. De commissie streeft er immers naar dat haar uitspraken gelijklopen met het oordeel van de burgerlijke rechter. Dat is in deze zaak niet anders. Hoewel begrip opgebracht kan worden voor de wens van de consument voor een spoedig oordeel, moet om de hiervoor genoemde reden de zaak niettemin aangehouden worden tot bedoeld eindoordeel.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De verdere beoordeling van de klacht wordt aangehouden tot het eindoordeel in de hiervoor genoemde aan de Hoge Raad voorgelegde zaak gegeven is.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. J.B.J. Hoefnagel, voorzitter, de heer J.H.P.T.M. den Ouden, de heer C.P. Hoogendoorn, leden, op 5 juni 2026.