Commissie: Recreatie
Categorie: tarieven
Jaartal: 2023
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
191611/200847
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een recreant diende een klacht in over de hoogte van zijn energierekening en een verhoging van het staangeld op een vakantiepark. Hij vond dat de ondernemer de RECRON-voorwaarden verkeerd toepaste en dat de energiekosten en het staangeld onterecht waren verhoogd. Ook verwees hij naar meerdere andere klachten die volgens hem leefden onder vaste gasten van het park. De Geschillencommissie maakte eerst duidelijk dat zij alleen de persoonlijke klachten van deze consument kon behandelen en niet die van andere recreanten. Daarom werden alleen de energierekening en het staangeld beoordeeld. De commissie stelde vast dat de ondernemer vooraf had aangekondigd dat energietarieven konden veranderen door stijgende inkoopprijzen. Door de sterke stijging van energieprijzen in 2022 mocht de ondernemer deze hogere kosten gedeeltelijk doorberekenen. Omdat in april 2022 geen meterstanden waren opgenomen, werd een eerdere oplossing redelijk gevonden waarbij de helft van het verbruik werd afgerekend tegen € 0,39 per kWh en de andere helft tegen € 0,69 per kWh. Daarnaast oordeelde de commissie dat onder “jaargeld” alleen de vergoeding voor het gebruik van de standplaats valt en niet bijkomende kosten zoals zwembadbandjes. Daardoor was geen sprake van een zodanige verhoging dat speciale regels voor een aanmerkelijke prijsverhoging van toepassing waren. De commissie verklaarde daarom beide klachten ongegrond en wees het verzoek van de consument af. Wel verduidelijkte zij dat de energieafrekening betrekking heeft op het verbruiksjaar oktober 2021 tot en met september 2022.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de hoogte van de energienota en de verhoging van het staangeld.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer past de RECRON-voorwaarden onjuist toe en zijn parkinformatie is daar strijdig mee. De energienota is onterecht tot stand gekomen en het staangeld is ten onrechte met een te hoog bedrag verhoogd. Verder is er sprake van negen geschillen, die aan de orde zijn bij vele vaste gasten van het vakantiepark.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, waarvan in het bijzonder het verweerschrift van 24 februari 2023. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Wie klaagt?
Het klachtschrift zou volgens de consument namens ‘tientallen vaste gasten’ zijn ingediend. Het is voor de ondernemer onduidelijk of de consument is gemachtigd namens deze personen deze klacht aanhangig te maken, of dat hij hiermee wil aangeven dat meerdere vaste gasten klachten zouden hebben.
Omvang klacht
De ondernemer merkt op dat de consument de negen geschilpunten niet voorafgaand aan hem heeft voorgelegd. Uitsluitend geschilpunten 8 en 9 (respectievelijk de hoogte van de energienota en de verhoging van het staangeld) heeft hij voorafgaand kenbaar gemaakt. De ondernemer is niet in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan dit geschil die negen geschilpunten met de consument te bespreken. De ondernemer wordt nu wel geconfronteerd met kennelijk diverse discussiepunten, waarvan hij niet eens weet heeft gehad dat dit voor de consument een geschilpunt is. Nu de consument niet voorafgaand (schriftelijk) heeft geklaagd over alle negen de geschilpunten, dient dit in ieder geval te worden meegenomen in de belangenafweging en uiteindelijk beslissing.
Energierekening oktober 2022
De consument meent dat een onjuiste berekening is toegepast op de energiefacturen.
Algemene prijsontwikkeling energietarieven
Ook de ondernemer is de afgelopen periode geconfronteerd met steeds hogere energieprijzen. In het verleden (vanaf 2015-2021) hebben de gehanteerde tarieven voor energie altijd geschommeld rond de 35 en 37 cent per kWh.
Sinds de coronacrisis en uitbraak van de oorlog in Oekraïne zijn de inkooptarieven helaas ook voor de ondernemer drastisch omhooggegaan. Daar waar de consument nog wordt beschermd middels subsidies, vaste korting over de maanden november en december 2022 en een prijsplafond vanaf 1 januari 2023, geldt deze bescherming c.q. ondersteuning niet voor de ondernemer als (recreatie)ondernemer. De recreatieondernemer is onderhevig aan de prijsstijgingen zijdens de energieleverancier.
De energietarieven zijn jaarlijks aangekondigd middels de tarievenkaart.
Bij de energiekosten is nadrukkelijk (en dus naast hetgeen voortvloeit uit artikel 4 lid 2 van de RECRON-voorwaarden) een voorbehoud gemaakt. “Deze prijzen kunnen fluctueren i.v.m. doorberekening van de energiebedrijven.”
Ook bij de tariefkaart 2023 is een voorbehoud gemaakt aangaande de energiekosten. “Energieprijzen fluctueren mee met de marktprijzen en worden berekend aan de hand van de gemiddelde inkoopprijs voor (ondernemer) van de voorafgaande maanden.”
De ondernemer heeft derhalve rechtsgeldig een verhoging van de energieprijzen voorbehouden.
De uiteindelijk procentuele prijsverhoging is onvermijdelijk fors, maar wel conform de algemene prijsontwikkeling.
De nieuwsbrieven die vervolgens zijn gestuurd, zien vooral op het up-to-date houden van de huidige stand van zaken en situatie. Dit zijn uiteraard géén overeenkomsten of tariefkaarten (met voorbehoud) waaraan rechten kunnen worden ontleend.
De ondernemer erkent dat hij aanvankelijk een onjuist tarief heeft opgenomen waartegen de hoogte van de factuur voor de periode 1 oktober 2021-1 oktober 2022 is berekend. Dat had – zoals de consument ook stelt – géén 97 cent kunnen en mogen zijn. Daarover bestaat tussen partijen derhalve géén discussie.
Voorstel van de kant van de ondernemer
De ondernemer heeft naar zijn recreanten gecommuniceerd dat hij fouten heeft gemaakt met de berekening. Eerder heeft een andere recreant deze kwestie al aan uw Geschillencommissie voorgelegd. De ondernemer verwijst naar het bindend advies dat in die kwestie is gegeven.
Om de consument tegemoet te komen en ter compensatie van het feit dat de ondernemer de meterstanden in april niet heeft gemeten, wil de ondernemer het volgende voorstellen:
De ondernemer stelt voor om de rekening voor het jaar 2022 als volgt op te maken. Het totale verbruik aan kWh zal door tweeën worden gedeeld, waarbij 50% tegen een energieprijs van 39 cent in rekening wordt gebracht en de overige 50% tegen een energieprijs van 69 cent.
Bij toepassing van het gedane voorstel komt de ondernemer uit op een nog te ontvangen bedrag van € 168,-. Het tarief van 39 cent per kWh is in oktober 2021 gecommuniceerd. Het tarief van 69 cent zou in principe gelden vanaf april 2022, maar vanaf die periode zijn er geen meetgegevens, waardoor voor de 50-50 optie is gekozen.
Staangeld jaarplaatsen
Volgens de RECRON-voorwaarden dient er onderscheid te worden gemaakt tussen het jaargeld enerzijds en de overige kosten die in rekening worden gebracht bij de recreant anderzijds. De consument blijft beide onlosmakelijk van elkaar en “in één adem” noemen.
Artikel 4, lid 6, van de RECRON-voorwaarden luidt als volgt: “De ondernemer heeft het recht eenmaal per overeenkomstjaar het jaargeld te verhogen. De ondernemer kan de prijs slechts aanmerkelijk verhogen indien hij dit ten minste achttien maanden voor de ingangsdatum globaal gemotiveerd aan de recreant heeft meegedeeld”.
Bovenstaand artikel ziet expliciet op het jaargeld. Onder het begrip jaargeld wordt volgens artikel 1, lid 1, sub k, van voornoemde voorwaarden verstaan: “de per overeenkomstjaar door de recreant aan de ondernemer verschuldigde vergoeding voor het gebruik van de plaats.” Kortom: uitsluitend de vergoeding voor het gebruik. Overige voorzieningen vallen met onder de reikwijdte van het jaargeld, maar onder artikel 4, lid 2.
In tegenstelling tot de bepalingen opgenomen in de RECRON-voorwaarden schaart de consument naast de vergoeding voor het gebruik van de jaarplaats ook de voorzieningen onder de reikwijdte van het begrip jaargeld. Dat is onjuist.
De commissie heeft in een eerdere uitspraak bevestigd dat onder jaargeld uitsluitend de vergoeding voor het gebruik van de kavel wordt verstaan. De ondernemer verwijst naar het bindend advies met referentiecode: 99652/111496.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Ter zitting heeft de commissie de consument meegedeeld dat de commissie individuele klachten behandelt, tenzij er sprake is van een zogenaamde groepsklacht. Van dat laatste is in dit geval geen sprake. Dat maakt dat de commissie alleen die klachtonderdelen behandelt die betrekking hebben op de consument zelf. Van de negen klachtonderdelen blijven dan ook alleen over de klacht die ziet op de hoogte van de energienota én de klacht die ziet op de verhoging van het staangeld.
Hoogte van de energienota
In een eerdere uitspraak (nummer 193606/197644) heeft de commissie haar oordeel reeds gegeven met betrekking tot dit klachtonderdeel. De overwegingen in die zaak zal de commissie hieronder integraal overnemen.
In september 2021 heeft de ondernemer de tarieven jaar- en seizoenplaatsen 2022 gecommuniceerd met zijn huurders, waaronder het tarief voor elektra, te weten € 0,39 per kWh (exclusief voorschot en vastrecht). Hierbij heeft de ondernemer opgenomen dat deze prijs kan fluctueren in verband met de doorberekening van de energiebedrijven.
Bij nieuwsbrief van 20 april 2022 heeft de ondernemer onder meer het volgende aan zijn huurders meegedeeld:
“Wij kunnen jullie nu vertellen dat we de prijs voor elektra voor 2022 vast kunnen zetten op € 0,69 per kWh. Met dit tarief zullen we aan het einde van het seizoen de afrekening maken.”
De consument is van mening dat de ondernemer niet het juiste tarief voor elektra heeft gehanteerd, in het kader waarvan hij van de ondernemer verlangt dat de betreffende energiefacturen worden gecrediteerd met inachtneming van het tarief van € 0,39 per kWh dat de ondernemer aanvankelijk in september 2021 heeft aangekondigd.
Het eerdergenoemde tarief van € 0,69 per kWh zou volgens de ondernemer gelden vanaf april 2022, maar hij heeft erkend dat in april 2022 geen meterstanden zijn opgenomen en in verband daarmee voorgesteld om de rekening voor het jaar 2022 als volgt op te maken.
Het totale verbruik aan kWh (over 2022) zal door tweeën worden gedeeld, waarbij 50% tegen een tarief van € 0,39 in rekening wordt gebracht en 50% tegen een tarief van € 0,69 per kWh.
De commissie is van oordeel dat de ondernemer niet was gebonden aan het tarief voor elektra dat hij in september 2021 heeft aangekondigd, aangezien hij daarbij een expliciet voorbehoud heeft gemaakt, in die zin dat de genoemde prijs kan fluctueren in verband met de doorberekening van de energiebedrijven. Gelet op de ontwikkelingen in de energiemarkt vanaf begin 2022, onder meer als gevolg van de oorlog in Oekraïne, was er in korte tijd sprake van exorbitante verhogingen van de energietarieven, die de energieleveranciers bij hun afnemers in rekening brachten. Gelet op het gemaakte voorbehoud mocht de ondernemer deze verhogingen (geheel of gedeeltelijk) doorberekenen aan zijn huurders. Artikel 4, lid 2, van de Recron-voorwaarden biedt daartoe overigens uitdrukkelijk de mogelijkheid (tariefsverhoging bij lastenverzwaring).
De ondernemer heeft – gelet op het feit dat was verzuimd om in april 2022 de meterstanden op te nemen – de consument een voorstel gedaan waarbij voor de helft van 2022 toch het aangekondigde tarief van € 0,39 per kWh zou worden gehanteerd en voor de andere helft het tarief dat in april 2022 is meegedeeld. Daarmee heeft de ondernemer de consument voor een deel tegemoet willen komen. De consument heeft zich daar niet mee kunnen verenigen. De commissie acht het gedane voorstel echter redelijk en billijk en bepaalt dat voor het jaar 2022 conform dit voorstel afgerekend dient te worden.
Voornoemde overwegingen zijn in deze zaak onverkort van toepassing. De consument heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zich wel kan verenigen met deze uitspraak, maar niet met het feit dat de ondernemer in afwijking van de uitspraak, waarin staat dat die uitspraak geldt voor het jaar 2022, ook de periode van oktober tot en met december 2021 heeft betrokken bij de berekening op grond van het voorstel dat de ondernemer heeft gedaan.
In reactie op dit standpunt van de consument heeft de gemachtigde van de ondernemer naar voren gebracht dat de ondernemer inderdaad de periode van oktober tot en met december 2021 heeft betrokken bij de berekening waaraan de commissie haar goedkeuring heeft verleend. Dit is echter gebeurd omdat gekeken moet worden naar het opnamejaar/gebruiksjaar in plaats van naar het kalenderjaar. Zij verzoekt de commissie dan ook – mocht zij de klacht van de consument ongegrond verklaren – daarbij te bepalen dat voornoemde berekeningswijze van toepassing is op het opnamejaar/gebruiksjaar dat loopt van oktober 2021 tot en met september 2022.
Op grond van voornoemde overwegingen is de commissie van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond dient te worden verklaard. Nu er blijkbaar onduidelijkheid is ontstaan over wat in eerdergenoemde uitspraak onder ‘het jaar 2022’ moet worden verstaan, zal de commissie deze onduidelijkheid wegnemen door op te nemen dat daaronder het opnamejaar/verbruiksjaar dient te worden verstaan. Zo was dat overigens ook bedoeld in die uitspraak.
Dit klachtonderdeel zal – gelet op het voorgaande – ongegrond worden verklaard.
Verhoging van het staangeld
Dit geschilpunt spitst zich toe op de beantwoording van de vraag welke posten vallen onder het jaargeld. De consument stelt zich op het standpunt dat de ondernemer het jaargeld ten onrechte op een te laag bedrag heeft vastgesteld, zodat hij zich niet hoefde te houden aan het bepaalde in artikel 4, lid 6, van de RECRON-voorwaarden. Hierbij dient dan nog opgemerkt te worden dat het vaste jurisprudentie is van de commissie dat er sprake is van een aanmerkelijke verhoging indien er sprake is van een verhoging van 10% of meer.
Volgens de consument dienen bijkomende kosten, zoals kosten voor de aanschaf van polsbandjes voor het zwembad, ook tot het jaargeld gerekend te worden. De ondernemer heeft in dit kader verwezen naar artikel 1, lid 1, sub k, van de RECRON-voorwaarden. Onder het begrip jaargeld wordt volgens dat artikel verstaan:
“de per overeenkomstjaar door de recreant aan de ondernemer verschuldigde vergoeding voor het gebruik van de plaats”.
In lijn met de eerdere uitspraak van de commissie waaraan de ondernemer heeft gerefereerd, is de commissie van oordeel dat onder jaargeld uitsluitend de vergoeding voor het gebruik van de kavel wordt verstaan, dus niet de door de consument bedoelde bijkomende kosten.
In het verlengde hiervan is de commissie van oordeel dat de ondernemer de hoogte van het jaargeld correct heeft vastgesteld. Nu de verhoging van dat jaargeld onder voornoemd percentage van 10% is gebleven, heeft de ondernemer zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een aanmerkelijke verhoging van het jaargeld. Hij hoefde dan ook geen toepassing te geven aan artikel 4, lid 6, van de RECRON-voorwaarden.
Ook dit klachtonderdeel zal ongegrond worden verklaard.
Op grond van het voorgaande zal de commissie de gehele klacht ongegrond verklaren.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond, zodat het door de consument verlangde wordt afgewezen.
De commissie bepaalt dat voor het verbruiksjaar 2021-2022 (periode van oktober 2021 tot en met september 2022) conform het hierboven genoemde voorstel afgerekend dient te worden.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw J. Hagedoorn, de heer H.H. van der Linden, leden, op 15 juni 2023.